Van Abbe Museum Eindhoven


+/-1960

Er is maar één Henri van Abbe
 

17 januari 2003 wordt in Eindhoven het gerenoveerde en uitgebreide Van Abbemuseum door koningin Beatrix geopend. Het museum werd gesticht door sigarenfabrikant Henri Jacob van Abbe , die zijn Amsterdamse afkomst nooit verloochende. De opmars van de Karel I-sigaren werd geleid vanuit een in de hoofdstedelijke kleuren geschilderd kantoor.

Op zaterdag 18 april 1936 werd op de voorpagina van het Eindhovensch Dagblad verslag gedaan van de opening die dag van het Stedelijk Van Abbe-Museum. Dat de schenker van het museum de Eindhovense sigarenfabrikant Henri van Abbe was, zal niemand zijn ontgaan. Rechts onderaan de voorpagina van de krant stond een advertentie voor zijn sigarenmerk: 'Er is maar één Karel I'.

Henri van Abbe kon de bouw van het door A.J. Kropholler ontworpen museum op de voet volgen, want zijn huis - Villa Berthenja aan de Bilderdijklaan - stond aan de overkant van het bouwterrein, aan het riviertje de Dommel.

Het eerste levensteken van het museum is te vinden in de notulen van de raadsvergadering die op maandag 30 januari 1933 werd gehouden. Burgemeester A. Verdijk deelde die avond mee dat 'een onzer verdienstelijkste burgers' geld beschikbaar had gesteld voor de bouw en de collectie van een museum. De naam van de schenker werd pas bekendgemaakt nadat de raad met het voorstel van de voorzitter 'het aanbod met den grootsten dank te aanvaarden' en 'aan den naam van het museum den naam van den stichter te verbinden' had ingestemd. Hetgeen geschiedde. De voorzitter: ''Dan zal het museum heeten: 'Stedelijk Museum Van Abbe'.''

Voor de bouw van het museum schonk Henri van Abbe 150.000 gulden, en bovendien nog eens een bedrag van 35.000 gulden, 'voor den aankoop van nieuwe schilderijen'. Hiervoor stelde Van Abbe 26 schilderijen uit eigen collectie voor aankoop voor. In het streekarchief wordt een doorslag van de getypte lijst van deze schilderijen bewaard.

Het duurste werk betreft 'liggend naakt' van Jan Sluijters, 3500 gulden. De eerste portier van het Van Abbemuseum herinnerde zich in het Eindhovens Dagblad dat hij dit schilderij altijd moest verwijderen uit de tentoonstellingszaal als er kinderen kwamen: "Dat mochten ze niet zien.''

Over die schilderijen, waaronder werken van onder anderen Jan Sluijters, Carel Willink, J. Dooyewaard en Isaac Israëls, ontstond na de dood van Henri van Abbe nog onenigheid. De zoons van Van Abbe vonden dat het museum, waar inmiddels Edy de Wilde directeur was geworden, te weinig aandacht schonk aan de door hun vader bijeengebrachte collectie. Zoon Jan-Francis schreef in 1954 een brief aan het college van b. en w. van Eindhoven waarin hij en zijn broer Albert bezwaar maakten tegen het uitlenen van de schilderijen. ''Tevens maken wij bezwaar tegen het feit, dat deze schilderijen practisch geheel uit de museum-zalen zijn verdwenen en naar men beweert in de kelder zijn opgeslagen.'' In een latere brief deed Van Abbe de suggestie de collectie van zijn vader in een aparte zaal tentoon te stellen.

In de repliek van De Wilde klonk irritatie door. De museumdirecteur ontkende dat er sprake was van 'systematisch verdonkermanen'. Het idee voor een Van Abbe-zaal vond De Wilde geen goed plan: ''Wij zouden ons belachelijk maken.''

Dat De Wilde een andere kunstkoers voor ogen had, bleek uit de geruchtmakende aankoop van Femme en vert van Picasso, dat op 7 februari 1954 voor het eerst in het Van Abbemuseum tentoon werd gesteld. Vermoedelijk vormde deze spectaculaire aankoop de aanleiding voor briefwisseling tussen de zoons van Van Abbe en De Wilde. De prijs van dit werk uit de kubistische periode van Picasso, 114.000 gulden, veroorzaakte zo veel negatieve reacties (onder meer een condoleancetelegram van de schilderes Lizzy Ansingh), dat de museumdirectie het raadzaam vond bij de opening van de tentoonstelling een suppoost te posteren 'die den bokskunst machtig was'.

In het Eindhovense kantoor van klein zoon Jan-Francis van Abbe - hij is de jongste van negen kinderen van Henri's zoon Albert - hangt een geschilderd portret van zijn grootvader, dat hij op de zolder van zijn ouderlijk huis vond. Het door B. Ahrens in 1925 gemaakte schilderij is een van de vele portretten, want volgens Jan-Francis van Abbe was zijn grootvader een ijdele man die zichzelf 'eindeloos liet vereeuwigen': ''Als je 25 jaar in de fabriek werkte, kreeg je een ingelijste oorkonde met daarop het portret van Henri van Abbe. Moet je je voorstellen: had je al 25 jaar tegen die man aangekeken, kreeg je een oorkonde met wéér die kop erop. Ja, mijn grootvader was wel dol op zichzelf.''

Op de foto (niet aanwezig) is de tabaksfabrikant en mecenas afgebeeld naast zijn door Kees van Dongen gemaakte portret. De schilder met palet poseert aan de voeten van zijn beschermheer. Achter Henri van Abbe hangt het portret dat Van Dongen maakte van Van Abbes kleindochter Olly, de zuster van Jan-Francis. De foto is gemaakt in de fabriek van Karel I aan de Tongelresestraat in Eindhoven; op de achtergrond zijn nog stapels sigarendozen zichtbaar.

Van Abbe kende de schilders van wie hij werk verzamelde allemaal persoonlijk. Hij kocht het liefst van nog levende kunstenaars; die hadden er tenminste nog iets aan. Jan Sluijters was een huisvriend, Kees van Dongen zocht hij vaak op in zijn atelier in Parijs en ook Constant Permeke was een vriend. Van deze Vlaamse expressionist kocht hij het beroemde werk De zaaier, dat later aan het museum werd geschonken.

Toen Jan-Francis in 1956 werd geboren, was zijn grootvader al zestien jaar dood. Het beeld dat hij van hem heeft, is afkomstig uit de verhalen die in de familie de ronde doen, want een biografie is nooit over Henri van Abbe verschenen. Opa mocht dan dood zijn, het leven van de Van Abbes bleef gehuld in sigarenrook. De zoons en heel wat andere familieleden waren werkzaam in de fabriek en ook op andere manieren werd men eraan herinnerd. Jan-Francis van Abbe: ''Thuis stond een kleine guillotine met onder het hakmes een sigaar met de tekst 'Ik ben de sigaar'. We vierden altijd een maand vakantie aan zee, in Huis ter Duin in Noordwijk aan Zee, en dan gingen er vrachtwagens van Karel I met de spullen mee. Ter gelegenheid van communies en trouwerijen werden vaak sigarendozen met speciale opdruk gemaakt, die de gasten dan meekregen.''

Voor het 25-jarig huwelijk met zijn vrouw, Aldegonde Maria van Reeken, liet Henri van Abbe nog zo'n speciale doos maken, met hun beider portretten op het sigarenbandje, maar het huwelijk hield uiteindelijk geen stand. Nadat, de echtgenote van Henri, naar Zandvoort was vertrokken - haar oudste zoon Henri nam ze mee - was er in Villa Berthenja (een mix van de voornamen van de drie zonen Albert, Henri en Jan) sprake van een typisch mannenhuishouden, met bijbehorende humor. Jan-Francis: ''Mijn vader was samen met zijn broer Jan op pad geweest en belde 's nachts aan, waarna mijn grootvader het luikje opende en sprak: 'The house is full up, there aren't any rooms left.' Waarna hij het luikje weer dicht deed.''

Henri van Abbe werd op 8 januari 1880 in Amsterdam geboren. In 1900 begon hij in Amsterdam op bescheiden schaal met de fabricage van sigaren, maar verhuisde in 1910 naar Brabant, waar hij in Gestel een sigarenfabriek vestigde. Eindhoven was destijds een echte sigarenstad en had, voor Philips er heel groot werd, zelfs de bijnaam La ville fumée. Later verrees aan de Tongelresestraat in Stratum een enorm fabrieksgebouw. Het fabriekscomplex stond afgebeeld op het briefpapier van Van Abbe. Rokende schoorstenen gaven aan dat het de firma voor de wind ging. In de toptijd - de jaren dertig van de vorig eeuw - werkten er 2500 mannen en vrouwen in de Brabantse en Belgische fabrieken van Van Abbe, waar sigaren met namen als Paladijn, Bertenja en Lovely werden gemaakt, allemaal ondermerken van Karel I, het seriemerk. Op de dozen kijkt de Britse vorst, die het roken stimuleerde vanwege de belastingopbrengsten, de roker hooghartig aan. Toen er voor het merk Karel I een doos ontworpen moest worden, gaf Henri een kopiist opdracht naar Parijs af te reizen om in het Louvre het portret van Karel I na te schilderen, geschilderd door Antoon van Dyck: 'Charles Ier, roi d'Angleterre, à la chasse'. Dit portret verscheen op de dozen en de sigarenbandjes. De kopie hangt nu in het hoofdkantoor in Valkenswaard van Swedish Match, de huidige eigenaar van Karel I.

Henri was de zoon van een joodse vader en een niet-joodse moeder, en eenmaal gevestigd in Brabant, koos hij onvoorwaardelijk voor het katholieke geloof, volgens zijn kleinzoon vermoedelijk 'om den brode': ''Hij is in de leer geweest bij de zusters Clarissen en als dank heeft hij toen aan het klooster een kruisweg van de schilder Albert Servaes cadeau gedaan.''

Jan Francis omschrijft zijn grootvader als een strenggelovige, sober levende man, bijna een asceet. ''Bij hem ging alles met mate. Hij rookte slechts zelden een sigaar en dronk slechts één keer per jaar een borreltje, tijdens de nieuwjaarsreceptie in Villa Berthenja. Bij hoge uitzondering nam hij er wel eens twee, maar dan stond hij ook onmiddellijk op zijn kop, vertelde mijn vader. Hij hield wel van lekker eten. Dan liet hij rustig oesters komen van Dikker en Thijs, want hij bleef altijd trots op Amsterdam. Zijn hele kantoor heeft hij in de Amsterdamse kleuren, rood en zwart, laten schilderen en in de vergaderzaal was het wapen van Amsterdam koeiegroot afgebeeld, erger kun je in je liefde voor een stad toch niet gaan.''

Zijn zoons stonden een minder ascetische levenswijze voor, hetgeen mogelijk werd gemaakt door de bloeiende tabaksfabriek. Jan-Francis: ''Mijn vader en zijn broer, oom Jan, hebben in de jaren dertig vier keer de Rally van Monte Carlo gereden, in een Bugatti."

Zijn grootmoeder heeft Jan-Francis nog wel gekend: "Zij was in alles het tegenbeeld van mijn grootvader, die een teruggetrokken bestaan leidde. Mijn oma was enorm aanwezig, zij vulde het hele huis. Een enorm geestige vrouw; vrijgevig, vrijdenkend, de leukste oma die je kan bedenken. Ze at eens bij ons thuis en zat een beetje in de zuurkool te roeren en vroeg in onvervalst Amsterdams wat het in hemelsnaam was. Mijn moeder zei dat het echt heel lekker was, maar dat stelde haar niet echt gerust: 'Doe mij maar een doos rumbonen'.''

'Toen mijn ouders zich verloofden kre gen ze van mijn opa een geschilderd portret van hen beiden door Jan Sluijters. Mijn moeder was op haar twintigste een prachtige vrouw en Sluijters hield daar wel van, maar naar de zin van mijn grootvader had hij haar te bloot afgebeeld; je zag een tepel door de jurk heen schemeren. Dat schilderij heeft hij toen weer naar Sluijters teruggestuurd met het verzoek het te wat te kuisen, wat ook gebeurde.''

Henri van Abbe had geen last van preutsheid als het ging om het aan de man brengen van zijn sigaren. Jan-Francis van Abbe: ''Ik kwam de vroegere impresario Lelyveld tegen die mij vertelde dat hij in de jaren dertig van mijn opa de opdracht kreeg voor een pauzenummer in de Louis Bouwmeester Show uit een doos Lovely sigaren, destijds dé feestsigaar, twaalf schaars geklede meiden te laten springen.''

Henri van Abbe overleed op 18 november 1940, vier jaar na de opening van zijn museum, aan de gevolgen van een verwaarloosde ontsteking aan de blindedarm. Hij werd bijgezet in de grafkapel die hij door Kropholler, de architect van zijn museum, had laten bouwen.

De gift van Henri van Abbe was de afgelopen jaren een twistappel in de Eindhovense politiek. Het museum met het torentje zou in de oorspronkelijke plannen van de Amsterdamse architect Abel Cahen worden 'overbouwd', feitelijk worden opgeslokt door de nieuwbouw. Een deel van de familie Van Abbe reageerde verontwaardigd over het feit dat het geschenk van hun grootvader aan de stad Eindhoven zonder overleg op de tekentafel werd weggevaagd. Om aantasting van het gebouw van Kropholler te voorkomen, werd de Stichting Behoud het Van Abbemuseum opgericht, de latere Henri Van Abbestichting. Uiteindelijk kwam er een compromis uit de bus: er kwam meer grond ter beschikking, Cahen paste zijn ontwerp aan en de schepping van Kropholler werd in zijn waarde gelaten.

Een paar maanden na de opening van het museum in 1936 werd de gulle gever bedacht met een plaquette met een portret, maar de erkentelijkheid van de gemeente jegens de stichter mocht niet te veel kosten. Uit de in het streekarchief bewaarde correspondentie blijkt dat er stevig op de prijs werd beknibbeld. De beeldhouwer John Raedecker, bekend van de beelden van het Nationaal Monument op de Dam en ook de maker van de steigerende paardjes voor de entree van het museum, werd voor de plaquette benaderd, maar het door hem gevraagde honorarium van 1500 gulden werd te hoog bevonden. De beeldhouwer Lambertus Zijl, van wie ook enkele beeldjes tot de collectie van het Van Abbe behoren, bleek na bemiddeling van architect Kropholler bereid de voor de hal van het museum bestemde plaquette voor zeshonderd gulden te maken, al schreef hij dat hij het nooit voor een dergelijk laag bedrag zou hebben gedaan als de heer Kropholler geen goede vriend van hem was geweest.

Geknibbel is van alle tijden. De gevels van de nieuwbouw van het Van Abbe zijn bekleed met Zweedse leisteen. Liever had architect Cahen een duurdere Noorse leisteen aangebracht, maar dat ging de begroting te boven. Als protest liet hij alsnog een klein vlak in de door hem gewenste leisteen uitvoeren. Twee maanden mochten de 25 Noorse leisteenplaatjes als een stille aanklacht tegen de kruideniersmentaliteit van de gemeente op de wand blijven zitten, waarna ze alsnog werden vervangen door de goedkopere soort.
 


Het fabriekscomplex aan de Tongelrese straat werd in 1971 door een brand verwoest, waarbij dertig miljoen sigaren in rook opgingen. Het familiebedrijf was twee jaar eerder verkocht. Van de eens zo machtige fabriek rest nog slechts een muur met gele tegels met daarop in zwarte kapitalen: 'N.V. KAREL I SIGARENFABRIEK V/H H.J. V. ABBE'.

HANS HOEKSTRA (Parool 14-1-2003)

http://www.thuisinbrabant.nl/biografieen.asp?ccidentifier=672&ccSortorder=title
 

http://www.vanabbemuseum.nl

http://www.vanabbestichting.nl


Duitse- en Nederlandse autoriteiten waaronder Ir. Mussert verlaten, samen met de net geïnstalleerde NSB burgemeester Pulles van Eindhoven, het van Abbe museum.
Datering : 29/05/1942