De gebouwen van de brandweer in Eindhoven

door Peter Snellen

Dit artikel is een bewerkte versie van een tekst die werd gepresenteerd tijdens het minisymposium 'Brandweergebouwen', georganiseerd door de Werkgroep Brandweer Historie op 7 december 2019.

De oorspronkelijke publicatie in deze uitgave is voor de leesbaarheid geredigeerd, maar de inhoud is vrijwel identiek, met enkele kleine actuele aanvullingen.

Brandweergebouwen

Dit artikel schetst de ontwikkeling van de brandweer aan de hand van één specifieke plaats: de woonplaats van de auteur. Daarbij wordt gekeken naar de gebouwen die het korps achtereenvolgens in gebruik had.

Dit voorbeeld is natuurlijk niet representatief voor elke situatie. Hoewel veel ontwikkelingen in ons land parallel liepen, zijn er ook uitzonderingen.

Zo had de brandweer van Eindhoven, vanwege haar beperkte inzetgebied, nooit eigen paarden om de spuiten te trekken. In tegenstelling tot de eerste beroepskorpsen in ons land, zijn er in de Lichtstad dus ook geen kazernes met paardenstallen te vinden. Eindhoven heeft bovendien nooit een stoombrandspuit gehad, waardoor ook onderkomens met de speciale voorzieningen daarvoor ontbreken.

In het hedendaagse Eindhoven zijn de middeleeuwse grachten nog steeds herkenbaar in het stratenpatroon. Straten als de Keizersgracht, Wal, Oude Stadsgracht en deels de Vestdijk volgen de loop van de voormalige grachten en stadsomwalling. Ook de naam Emmasingel verwijst naar dit deel van de stadsgeschiedenis.

De groei van een stad.

Om de ontwikkeling van de brandweer in Eindhoven te kunnen volgen, is het noodzakelijk iets meer te weten over de ontwikkeling van de stad, waarin die brandweer functioneerde. Vandaar deze wat uitgebreide inleiding.
Tot ver in de Middeleeuwen was Eindhoven nauwelijks van enige betekenis, hoewel het op een strategische plek lag, aan de steenweg van ‘s – Hertogenbosch naar Luik, ongeveer te vergelijken met de huidige A2. Wel was er al in de prehistorie sprake van een aantal nederzettingen die op het gebied van het huidige Eindhoven te vinden waren. Die nederzettingen lagen dan te midden van heidevelden, bossen, moerassen en vennetjes en waarschijnlijk in de buurt van de kleine riviertjes en beken die in de Kempen zo frequent voorkwamen.
Enkele van die nederzettingen breiden zich uit, tot wat we in de tegenwoordige terminologie als kleine (kerk-)dorpen beschouwen. Met name de dorpen Woensel (met Eckart), Strijp, Gestel (met Blaarthem), Stratum en Tongelre ontwikkelden zich tot kleine plaatsen. Rond het jaar 1100 gingen de bewoners van voornoemde dorpen regelmatig met elkaar handelen op een verhoogd stukje land (de Heuvel) langs het riviertje de Dommel, dat centraal tussen de dorpen lag. Van lieverlee zullen enkele van die handelaren tot de conclusie gekomen zijn, dat het veel tijd bespaarde, wanneer men in de buurt van die “marktplaats” een huis bouwde. Daaruit groeide langzaam het kleine stadje Eindhoven, dat in 1232 stadsrechten kreeg. 

Eindhoven 1922

Groei van Eindhoven

Tot in het begin van de negentiende eeuw groeide het stadje nauwelijks. Weliswaar was er na 1800 sprake van kleine industrie – meestal ten behoeve van de eigen bevolking en die van het omliggende gebied – maar achteraf bezien leidde Eindhoven een sluimerend bestaan. De producten die in Eindhoven werden gemaakt, waren bier, textiel, leer, sigaren en wat later lucifers. Dat betekent niet dat het stadje geen rol speelde in de vaderlandse geschiedenis; de stad doorstond enkele belegeringen (vanwege de strategische positie), bezettingen en zeer grote branden die bijna de hele stad in de as legden. De contouren van die oude, heel kleine stad zijn – voor wie er oog voor heeft - nog altijd terug te vinden in het stratenplan van wat nu het centrum is.

In de tweede helft van de negentiende eeuw besloot een voortvarend gemeentebestuur echter dat het tijd werd om ook Eindhoven in de vaart der volkeren op te stuwen. Men liet op eigen kosten (gefinancierd door de uitgifte van aandelen) een kanaal graven dat Eindhoven verbindt met de Zuid-Willemsvaart en zo met de rest van Nederland. Tot groot geluk van de bewoners werd de infrastructuur nog verder verbeterd toen de spoorwegen ook Eindhoven aandeden en er een stationnetje bouwden. Over land en over water was de stad nu goed te bereiken en enkele industriëlen zagen Eindhoven vanaf dat moment als een goede vestigingsplaats.

Toen in 1891 ook de gebroeders Philips, afkomstig uit Zaltbommel, hier een fabriekje vestigden aan de Emmasingel waar men aanvankelijk slechts gloeilampen produceerde, zou dit voor Eindhoven de grote ommekeer betekenen. Want Philips groeide langzaam maar zeker. En een bedrijf dat groeit, heeft werknemers nodig. Die werknemers werden vanuit het hele land aangetrokken. De personeelsbehoefte was zelfs zo groot, dat boeren uit bijvoorbeeld Drenthe werden aangetrokken, wanneer ze minstens drie dochters hadden die bij Philips konden gaan werken. In ruil voor de verhuizing bood Philips dan een woning aan met een stukje land.

Philips deed, zeker voor die tijd, veel voor zijn werknemers. Het bedrijf zorgde voor woningbouw, scholen, ontspannings- en sportvoorzieningen, gezondheidszorg en bedrijfsveiligheid.

Maar al die daarbij behorende gebouwen moesten wel een plaatsje vinden rondom het bedrijf. Eerst ontstond lintbebouwing langs de straten die vanaf Woensel, Tongelre, Strijp, Stratum en Gestel naar Eindhoven liepen, maar op enig moment was zo’n straat volgebouwd en ging men de gebieden tussen de dorpen bebouwen. De dorpen groeiden zo langzaam tegen het oude stadje Eindhoven aan. Dat leidde er in 1920 toe dat er een gemeentelijke herindeling kwam. De tot dan toe zelfstandige gemeenten Woensel (met het gehucht Acht), Strijp, Gestel, Stratum en Tongelre werden samengevoegd met het centrale stadje Eindhoven. Vanaf dat moment werden het stadsdelen.

Eindhoven 1935 -1944

De groei van Eindhoven

De groei van Eindhoven lijkt in de twintigste eeuw grenzeloos. In 1945 is het bebouwde oppervlak van de stad al meer dan verdubbeld; in 25 jaar tijd groeit de stad meer dan in de 400 jaar daarvoor.

Hoewel de stad in de oorlog flink te lijden heeft gehad, wordt de wederopbouw voortvarend aangepakt. Men herstelt niet alleen de oorlogsschade, maar grijpt ook de kans aan om de stad te moderniseren. Wat verwoest is, kan immers worden hersteld, maar biedt ook de mogelijkheid om er iets geheel nieuws voor in de plaats te zetten.

De groei gaat onverminderd door. Weliswaar is er aan het eind van de twintigste eeuw lang niet meer zoveel maakindustrie in de stad te vinden als in de 75 jaar daarvoor, maar daarvoor in de plaats is veel werkgelegenheid gekomen in de handel en de ontwikkeling van nieuwe producten. Rond het jaar 2000 verkoopt de stad minder voorwerpen, maar des te meer kennis. De naam Brainport Eindhoven is toepassing

Brandspuit anno 1910

De brandweer in de Lichtstad

Met opzet wordt hier “IN” en niet “VAN” de Lichtstad geschreven, want naast de gemeentelijke brandweer waren er (na 1920) ook andere brandweerkorpsen actief. Wanneer we de brandbestrijding in Eindhoven beschouwen, moeten we een onderscheid maken tussen de periode vóór en na 1920. De reden hiervoor is in het vorige hoofdstuk al duidelijk geworden.

Zoals op veel plaatsen gebeurde de brandbestrijding lange tijd in “ongeorganiseerd” verband. In geval van nood werd de buurt gewaarschuwd en handelde men ad hoc, meestal onder leiding van de vele gezagsdragers die de stad rijk was.

Insigne van het Sint-Barbaragilde in Eindhoven
anoniem, ca. 1500 - ca. 1524

‘Dit zijn de schutters van Sint-Barbara van Eindhoven’ staat in middeleeuws Nederlands op de ring van dit insigne te lezen. De schutters droegen zo’n teken bij plechtigheden op hun kleding. De toren is het symbool van Sint-Barbara, de patroonheilige van het gilde.
bron https://www.rijksmuseum.nl

De eerste brandspuit

Eindhoven kreeg haar eerste brandspuit – voor zover we nu weten - aan het begin van de 18de eeuw. In 1709 werd die spuit ondergebracht bij het stadhuis, dat toen aan de Rechtestraat stond. Een “lokaal naast het Stadhuis” werd verbouwd tot spuithuis. Maar omdat spuiten alleen niet voldoende waren, vinden we in de archiefstukken terug dat in 1718 een afdak werd gebouwd bij het “huis van Godefridus Coolen” aan het kerkhof, waar de ladders en de brandhaken ondergebracht konden worden.

Bijna honderd jaar later, eind achttiende eeuw, namen de Gilden de brandbestrijding op zich. Het Sint-Barbaragilde bediende vanaf dat jaar de “Grote Spuit”, die bij het stadhuis stond. Daarmee kon men gemakkelijk uitrukken naar alle adressen in het westelijk deel van de stad. Het Sint-Sebastiaangilde kreeg de “Kleine Spuit” toegewezen, waarvoor er bij het kerkhof een spuithuisje werd ingericht. Het oostelijk deel van de stad werd aan dit gilde toegewezen. In 1792 werd die spuit gestald in het Waaghuis aan de Markt.

St. Barbaragilde Eindhoven opgericht voor 1437.
Foto van de gilde in 1938.
De gilde bestaat nog steeds:
https://www.sintcatharinagildeeindhoven-stad.nl

Maar al in 1802 veranderde de situatie. Het Barbaragilde wilde geld zien en toen het gemeentebestuur niet over de brug kwam, stopte het gilde met zijn brandweertaak. Het Gilde van Sint-Sebastiaan nam de taak van het Barbaragilde over en zou tot 1836 zorg dragen voor de brandbestrijding in het toenmalige Eindhoven.

In 1829 werd er geld vrijgemaakt voor de bouw van een Latijnse School op de Markt. Die kwam op de plaats van het oude Waaghuis. Behalve schoollokalen voor tekenen en bouwkunde werden er ook ruimten voorzien voor een stadsmagazijn, het boterhuis, de arrondissementsijkmeester en... voor de brandspuit.

“Hoe werkt de brandweer?” van Mr. W.H.A. Elink Schuurman
 Enige technische algemene opmerkingen en een beschrijving der inrichtingen in 89 meer belangrijke plaatsen van Nederland.
186 pagina's met afbeeldingen.

Hoe werkt de brandweer?

In 1913 verschijnt het boek “Hoe werkt de brandweer?” van dhr. W.H.A. Elink Schuurman. Dat boek biedt een schat aan gegevens over de brandweer in dat jaar. Wanneer we naar Eindhoven kijken, zien we dat het korps inmiddels de beschikking heeft over 3 handspuiten, een mechanische ladder en 5 slangenwagens waarmee men kon aansluiten op de inmiddels aangelegde drinkwaterleiding (de vakterm die de brandweer hiervoor gebruikt is "afleggen").

Eindhoven bestaat dan alleen nog maar uit het huidige stadscentrum, en daarom is het nodig ook te kijken naar wat we weten over de omringende dorpen. Woensel (dat destijds groter was dan Eindhoven) heeft in 1913 een plichtbrandweer die over maar liefst 8 handspuiten beschikt. Strijp (plichtbrandweer) en Gestel (vrijwillig korps) hebben elk 3 handspuiten, evenals de vrijwillige brandweer van Stratum, die echter ook nog 2 slangenwagens bezit.

Brandweer in de dorpen anno 1913
De eerste autobrandspuit 1920

Groot Eindhoven

Wat in 1920 “Groot Eindhoven” zou worden, beschikte destijds dus over minimaal 20 handspuiten, 7 slangenwagens en een grote mechanische ladder. Minimaal, want gegevens van Tongelre zijn in het boek niet opgenomen. Elk van deze korpsen moet over spuithuisjes hebben beschikt, maar de precieze locaties zijn niet allemaal overgeleverd.

Geheel terzijde, maar interessant: er waren destijds grote verschillen in materieel. Eindhoven en Strijp hadden al Storz-koppelingen, Stratum had bajonetkoppelingen en Woensel gebruikte schroefkoppelingen. Van die laatste was bekend dat ze niet altijd onderling pasten, al weten we niet of dit in Woensel ook een probleem was.

Desondanks was het gebruikelijk dat de Eindhovense brandweer de omringende dorpen te hulp schoot. De incompatibiliteit van het materieel moet daarbij ongetwijfeld voor problemen hebben gezorgd...

 De Marechausseekazerne uit 1924 Grote Berg en panden Paradijslaan.

De kazerne

Aan de Paradijslaan in Eindhoven stond vanaf 1825 een kazerne van de marechaussee. Naast dienstruimten waren daar vanzelfsprekend ook stallen aanwezig, aangezien de marechaussee lange tijd een bereden militaire politie was. In 1898 werd dit complex nog uitgebreid met een koetshuis.

In 1912 werd de vrijwillige brandweer van Eindhoven gereorganiseerd. De nieuwe commandant – Camille van der Harten, zoon van de vorige commandant – pakte die reorganisatie grondig aan. Hij was van mening dat het materieel grotendeels gecentraliseerd moest worden. De gemeente kocht het perceel met opstallen en vestigde daar de brandweerkazerne voor het (toen nog handgetrokken) materieel: enkele spuiten, wat slangenwagens en een houten ladder op grote wielen. De enige uitzondering was een slangenwagentje dat bij de politiepost in het stadhuis werd gestald. Zo konden agenten bij een brand in het centrum direct een eerste aanval doen in afwachting van de brandweer; een soort Snelle Interventie Voertuig avant la lettre. Ook de gemeentereiniging werd op de Paradijslaan ondergebracht.


Grote gebeurtenissen wierpen hun schaduw vooruit. Eindhoven was op weg een grote stad te worden en de omliggende plaatsen zouden waarschijnlijk geannexeerd worden. Al in 1918 bestudeerde Van der Harten met een wethouder hoe men de brandbestrijding in zo’n grote stad efficiënt kon aanpakken. Er werd een plan gesmeed waar uiteindelijk – vanwege de hoge kosten - niets van terecht zou komen. In dat plan werd elke wijk voorzien van een eigen spuithuis met brandspuit en toebehoren. Zo ontstonden er negen 'kringen', waarbij Eindhoven-Centrum naast het eigen gebied ook de andere kringen moest kunnen bijstaan.

D'n Benz

“Den Benz” 

Al in 1914 was de aankoop van een autospuit overwogen, die ook in dit plan een cruciale rol speelde. Die autospuit was er echter nooit gekomen, omdat de Eerste Wereldoorlog roet in het eten gooide. De Duitse industrie produceerde uitsluitend voor de eigen oorlogsvoering en levering aan het buitenland was niet toegestaan. Men moest wachten op reeds geplaatste bestellingen. In 1920 was het dan toch zover en kon “Den Benz” (een brandweerwagen van de Benz-fabrieken in Gaggenau) zijn plaats innemen in de kazerne aan de Paradijslaan.

https://resolver.kb.nl/resolve?urn=urn:gvn:NIOD01:49333

De wereldbrand

Toen de Tweede Wereldoorlog dreigde, werd overal in Nederland nagedacht over de bescherming van de bevolking bij luchtaanvallen. Ook in Eindhoven werd eind jaren ’30 de Luchtbescherming opgericht, waarin de brandweer een cruciale rol speelde. De grootste gevaren die men verwachtte, waren instortingen, branden en gifgasaanvallen. Als belangrijke industriestad moest Eindhoven er rekening mee houden een doelwit te zijn. Daarom werd de brandweer direct versterkt met een soort hulpbrandweer in de wijken.

Of het toeval is, is onduidelijk, maar de indeling van de zogeheten “vakposten Luchtbescherming” leek sterk op het nooit uitgevoerde brandweerplan uit 1918. Er was nu sprake van acht in plaats van negen kringen, maar de inzetgebieden waren grotendeels hetzelfde. Het grote verschil was dat men inmiddels de beschikking had over motorspuiten, al dan niet op een aanhanger. De voertuigen om deze aanhangers te trekken, werden gevorderd van lokale bedrijven. Zo ontstonden in de diverse stadsdelen tijdelijke brandweerposten, meestal in of bij scholen die beschikten over een speelplaats, een afdak en lokalen voor de opvang van mensen.

1939  Een oefening met blusapparatuur van de luchtbescherming samen met de brandweer, locatie havenhoofd Eindhoven. foto 27-09-1939
Bron https://www.rhc-eindhoven.nl  128328

Brandweer post Woensel

Tijdens de oorlog werd ook een tweede permanente post van de inmiddels opgerichte beroepsbrandweer in gebruik genomen: de allereerste “post Woensel”. Deze kwam aanvankelijk aan de Broekseweg en verhuisde later naar de Oude Torenstraat. De reden voor deze post was de brede, drukke spoorbaan die Eindhoven doorsneed. De spoorwegovergang die het noordelijke stadsdeel Woensel met de rest van de stad verbond, was vaak uren per dag gesloten. Rijdend verkeer, en dus ook de brandweer, stond soms erg lang te wachten. Bovendien was een spoorbaan een strategisch doelwit dat elk moment kon worden aangevallen. Het probleem werd al in het jaarverslag van 1930 benoemd:

“In verband met de vertraging, welke als regel tijdens het uitrukken naar Woensel ontstaat door het gesloten zijn van de Woenselschen overweg (…), heeft ons College (…) den wensch naar voren gebracht, om te komen tot een brandweerpost in Woensel.”

Ook na de oorlog bleef de “Woenselse overweg” een rol spelen. Om een permanent bemande post in Woensel uit te sparen, bedacht men een slimme oplossing. Aan de Woenselse kant van het spoor werd aan “de Bogert” een nissenhut geplaatst met daarin een autospuit. Als er in Woensel brand uitbrak en de overweg was gesloten, reden de brandweerlieden van de Paradijslaan tot aan de spoorbaan, staken deze via de voetgangersbrug over en bemanden het tweede voertuig in de nissenhut om de brand te bestrijden.

In 1947 wordt hier nog melding van gemaakt, daarna verdwijnt de constructie uit de verslagen. Kort daarna, in de jaren '50, werd het "hoogspoor" met viaducten aangelegd, waardoor de barrière verdween en een tweede post in Woensel voorlopig niet meer nodig was.

De brandweerkazerne aan de Paradijslaan met slangentoren.

Uit het jasje gegroeid

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is veel brandweermaterieel verdwenen of zo verouderd dat het onbruikbaar is geworden. Onderdelen zijn niet meer voorhanden en materieel is gestolen, voornamelijk door plaatselijke NSB'ers, waaronder brandweercommandant Schmeink.

Gelukkig krijgt de brandweer al snel de beschikking over materieel uit Engeland. Dit nieuwe materieel moet, samen met de overgebleven wagens, een plek krijgen in de kazerne aan de Paradijslaan, waar echter totaal onvoldoende ruimte is. Het gebouw is bovendien ongeschikt voor een beroepskorps. 

Waaggebouw uit 1907 is een gemeentelijk monument

In de wederopbouwperiode wordt er dan ook al snel gesproken over verbeteringen, maar voorlopig moet de brandweer het doen met nieuwe bedden en matrassen.

De voertuigen worden ondertussen op allerlei plekken in de stad gestald. Zodra er ergens een gaatje wordt gevonden, wordt dit onmiddellijk benut: de garage van de Gemeentebedrijven, het Sint-Josephziekenhuis in Stratum, de garage van de plantsoenendienst, een ruimte bij de watertoren en garages bij houtbewerker NV Picus in Tongelre en Elias’ Textielfabriek in Strijp.

In 1947 wordt de situatie nog nijpender als de eigenaar van het kantoor van de brandweeradministratie het pand terugvordert. Gelukkig vindt men snel nieuw onderdak in het nabijgelegen Waaggebouw, waar ook nog wat materieel kan worden gestald. De situatie is zo precair dat zelfs burgemeester Kolfschoten medelijden krijgt. Ter gelegenheid van het Sinterklaasfeest in 1948 schrijft hij een gedicht waarin hij de brandweer belooft dat hun dossier zijn volle aandacht heeft.

Bouw van de brandweer kazerne

De Edenstraat en de Deken van Somerenstraat

In 1949 wordt een krediet van ƒ 350.000,- vrijgemaakt voor de aankoop van een perceel aan de Edenstraat, niet ver van de Paradijslaan. Op 3 april 1951 gaat de eerste spade de grond in en kan Bouwmaatschappij ‘Brabant-Oost’ uit Eindhoven beginnen met de bouw van de kazerne.

Het budget wordt later verhoogd: het gebouw mag ƒ 1.154.000,- kosten en voor de inventaris wordt ƒ 256.000,- gereserveerd. Als architecten worden J. van der Laan (stedenbouwkundig adviseur) en W. Vroom (hoofdingenieur van Gemeentewerken) vermeld.

Brandweer gevestigd aan de Edenstraat Eindhoven

1952: een moderne kazerne

De bouw verloopt voorspoedig en in 1952 kan de brandweer eindelijk de kazerne betrekken die bekendstond als “de modernste van heel Nederland en misschien wel van Europa”. De nieuwe post voldoet aan alle eisen die destijds aan een moderne kazerne werden gesteld.

De telefooninstallatie wordt uitgebreid met rechtstreekse verbindingen naar zowel de Philipsbrandweer als de Gemeentelijke Geneeskundige- en Gezondheidsdienst, om onderling contact te vergemakkelijken.

Hypermoderne kazerne 

De kazerne is voor die tijd hypermodern en van alle gemakken voorzien. Zo beschikt het gebouw over een echte alarmcentrale (toen nog ‘seinzaal’ genoemd) en een ruime remise waar bijna al het materieel ondergebracht kan worden. Voor het personeel zijn er verblijfsruimten en een eigen sportzaal om de conditie op peil te houden, terwijl de administratie en staf beschikken over voldoende kantoren en een aparte spreekkamer voor de commandant. Daarnaast zijn er talloze specialistische ruimtes, zoals een oefenruimte in de kelder voor trainingen met ademlucht, een eigen leslokaal en een ruim oefenplein. Tussen het hoofdgebouw en de droog- en oefentoren bevindt zich een slangenwerkplaats, en achter de remise zijn werkplaatsen ingericht voor hout- en metaalbewerking en het onderhoud van brandblussers.

brandw3-424x730.jpg

Het glas-in-loodraam in de brandweerkazerne aan de Edenstraat is in 1952 geplaatst. Het werd gemaakt door Hein F.M. Boumans uit Asten. Het raam draagt de spreuk "Een voor allen, allen voor een" en toont daarnaast diverse historische gebouwen en gebeurtenissen uit de geschiedenis van Eindhoven.

Kunst 

Ook aan kunst wordt gedacht: zowel binnen, buiten als in de gevel worden kunstwerken geïntegreerd. Boven de hoofdingang komt het gemeentewapen, in het trappenhuis een schildering van een rode haan en in een van de muren wordt een glas-in-loodraam geplaatst.

Dit laatste leidt overigens tot kritiek van enkele architecten. Om het raam te kunnen plaatsen, moet een geplande vensteropening worden vergroot, wat volgens hen zorgt voor een “onevenwichtige verdeling” van de raampartijen. Het oog wil immers ook wat.

Wanneer de Bescherming Bevolking (BB) medio jaren ’50 operationeel wordt, krijgt de Eindhovense brandweer er zo’n twintig motorspuiten bij. Deze kunnen vanzelfsprekend niet allemaal in de nieuwe kazerne worden ondergebracht. Daarom wordt er in de nabijgelegen Hallenweg een hal gehuurd waar de BB-spuiten onderdak vinden.

Edenstraat met zicht op Deken van Somerenstraat

Uitbreiding Edenstraat naar de Deken van Somerenstraat

Het gebouw aan de Edenstraat zal ruim twintig jaar in zijn oorspronkelijke vorm dienstdoen, maar dan wordt ook deze kazerne te klein. De Nederlandse brandweer maakt zich namelijk op voor regionalisering. Hoewel er in de regio Eindhoven al sinds 1949 een samenwerkingsverband bestond met de omliggende vrijwillige korpsen, wordt dit begin jaren '70 landelijk en veel formeler beleid.

Deze regionalisering betekent ook dat er nieuwe officieren worden aangetrokken. Zij zullen afwisselend in dienst zijn van de gemeente Eindhoven en van de Regionale Brandweer Zuid-Oost Noord-Brabant, en hebben dus eigen kantoren nodig.

In 1975 wordt de “Commissie Voorbereiding Uitbreiding & Verbouwing Brandweerkazerne” in het leven geroepen. Een jaar later concludeert deze commissie al dat er in Eindhoven een Regionale Alarmcentrale moet komen, bij voorkeur met een landelijk alarmnummer (destijds 0011).

De bouw van de uitbreiding wordt gestart op een locatie om de hoek, aan de Deken van Somerenstraat. Hier stonden vroeger kleine arbeidershuisjes, die rond 1968 al als krotten waren afgebroken.

Uitbreiding

Verbouwing en nieuwbouw

Op 22 mei 1978 wordt het nieuwe complex – de verbouwde kazerne aan de Edenstraat en de nieuwbouw aan de Deken van Somerenstraat – officieel in gebruik genomen. De opening wordt verricht door de Commissaris van de Koningin, Jan van der Harten. De ceremonie is een waar familie-eerbetoon: Jan is de kleinzoon van oud-commandant Jos van der Harten en de zoon van commandant Camille van der Harten, die in 1923 tijdens zijn werk om het leven kwam. Ook Joop, de andere zoon van Camille, is aanwezig; hij had tot kort daarvoor de leiding over de brandveiligheidsdienst van Philips. De kazerne wordt dan ook vernoemd naar Camille van der Harten.

Overigens blijkt ook dit nieuwe gebouw na enkele jaren alweer te klein, waarna er een complete verdieping bovenop wordt gebouwd.

In 2017 wordt bekendgemaakt dat het hele gebouw aan de Deken van Somerenstraat zal worden afgestoten, omdat de regionale brandweer het niet meer nodig heeft. De laatste jaren stonden er voornamelijk ambulances en aanverwant materieel in de remise; als brandweerkazerne was het gebouw al niet meer herkenbaar. De regionale alarmcentrale – inmiddels samengevoegd met die van de ambulancedienst en de politie – verhuist uiteindelijk, via een tijdelijk onderkomen in Eindhoven, naar een nieuw gebouw in ’s-Hertogenbosch..

Post Woensel

De spoorlijn die dwars door het centrum van Eindhoven loopt, vormde decennialang een aanzienlijke barrière. Voordat deze in de jaren '50 werd omgebouwd tot "hoogspoor", was de overweg een groot deel van de dag gesloten voor het verkeer, en dus ook voor de brandweer. Dit probleem was zo nijpend dat al in 1934 werd onderzocht of er een aparte brandweerpost in stadsdeel Woensel moest komen.

Buiten enkele tijdelijke oorlogsposten en een naoorlogse noodoplossing met een nissenhut, kwam het er lange tijd niet van. De nissenhut-constructie was ingenieus: bij een gesloten overweg reden brandweerlieden tot aan het spoor, staken via de voetgangersbrug over en bemanden aan de andere kant een tweede voertuig.

Na de oorlog groeide Eindhoven gestaag, voornamelijk richting het noorden (het voormalige Woensel), waar tussen 1960 en 1990 compleet nieuwe wijken ontstonden. Ondanks de nieuwe tunnels onder het spoor, werden de aanrijtijden vanaf de kazerne aan de Edenstraat steeds langer. Het toenemende verkeer in de groeiende stad was hier mede debet aan. Al in 1968 concludeerde men dat de hoofdkazerne niet meer centraal in de stad lag en er werd een studie gestart naar het verkorten van de aanrijtijden. Het duurde echter tot een rapport in 1981 voordat onomstotelijk vaststond dat de geldende opkomsttijd van zes minuten in een groot deel van Woensel niet gehaald kon worden.

Daar kwam nog een tweede, cruciale ontwikkeling bij. Jarenlang fungeerde de Philips Bedrijfsbrandweer als een soort tweede gemeentelijke post. Philips investeerde fors in zijn brandweer, die vaak meer voertuigen paraat had dan de gemeente zelf. In de jaren '80 begon Philips echter zijn productie in Eindhoven af te bouwen, wat ook leidde tot een inkrimping van hun brandweerkorps. Het werd duidelijk dat de gemeente niet langer kon rekenen op de snelle assistentie van Philips en dus meer moest investeren in de eigen brandweer.

Uiteindelijk werd in 1983 "Post Woensel" opgericht aan de Hondsruglaan, in het noorden van de stad. De locatie was strategisch perfect: via de brede toegangswegen kon men snel grote delen van Eindhoven bereiken. De huisvesting was echter ronduit slecht. De ploeg, die een tankautospuit, een redvoertuig en een hulpverleningswagen bemande, kreeg de beschikking over een klein kantoorpand met een garage. Voor de overige faciliteiten moesten zij zich behelpen met een aantal gestapelde containers achter het gebouw.

 

Post Woensel: ongeschikt

Het is dan ook geen wonder dat dienstdoen in Woensel al snel werd vergeleken met “strafdeportatie”; het onderdak was immers beter geschikt voor de brandweerwagens dan voor de mensen.

In 1987 concludeerde het gemeentebestuur dat de Eindhovense brandweer achterbleef bij de landelijke normen. Het duurde vervolgens twee jaar voordat men besloot dat post Woensel wellicht verplaatst moest worden en de accommodatie moest verbeteren. Bij die uitspraak bleef het echter.

Na nog eens twee jaar van stilstand was de maat in 1991 vol en volgden er personeelsacties. De brandweer was het beu. Toen kwam er eindelijk schot in de zaak: in 1992 werd een budget van negen miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de bouw van een nieuwe post en in oktober van dat jaar ging de eerste spade de grond in.

Brandweer post Woensel aan de Marathonloop

Brandweer post Woensel aan de Marathonloop 

Een jaar later werd de nieuwe post Woensel aan de Marathonloop officieel ingehuldigd door minister Dales van Binnenlandse Zaken. Er was een fraai bouwwerk ontstaan dat zich qua uiterlijk, althans volgens toenmalig burgemeester Welschen, kon meten met iconen als het Evoluon.

Het gebouw was ontworpen in de vorm van een passer. Het bestond uit een centraal, rond hoofdgebouw met daaraan twee vleugels: een korte vleugel met een uitrukremise voor vier voertuigen, en een lange vleugel met tien uitrijpoorten. Daarachter bevond zich een multifunctionele ruimte die dienstdeed als garage, maar waar bijvoorbeeld ook gesport kon worden. In 2018 werd deze lange vleugel in gebruik genomen door de ambulancedienst, waarna de brandweer zich tevreden moest stellen met de andere helft van het gebouw.

Sinds enkele jaren heeft de regionale brandweer ook een post op het terrein van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Vanuit deze locatie kunnen delen van Stratum en Tongelre (en indien nodig Geldrop en Nuenen) sneller worden bereikt. Aanvankelijk deelde men het onderkomen van de bedrijfsbrandweer van de TU/e; inmiddels hebben beide korpsen een gezamenlijke, tijdelijke uitruklocatie elders op het terrein.

Als Eindhoven het alleen niet meer aankon…

…stond lange tijd de Philipsbrandweer paraat om bij te springen. Dit korps werd al in 1925 opgericht, maar groeide pas tijdens de oorlogsjaren uit tot een beroepsbrandweer met een 24-uursbezetting. Aanvankelijk was de brandweer gevestigd op het complex aan de Emmasingel. Toen het complex Strijp steeds verder uitgroeide, kwam ook daar al voor de Tweede Wereldoorlog een aparte "brandweersectie" met een eigen onderkomen. Tijdens de oorlog kreeg de brandweer het zwaar te verduren; de complexen werden flink beschadigd, onder meer door het Sinterklaasbombardement in 1942.

Na de oorlog werd de modernisering van de Philipsbrandweer snel ingezet. De wagens werden groter, het aantal beroepsbrandweerlieden nam toe en werkzaamheden buiten de uitruk – zoals preventie, voorlichting en onderhoud – werden steeds belangrijker. Daarom werd besloten de secties Strijp en Emmasingel samen te voegen in één centrale kazerne. In 1965 werd deze nieuwe post geopend aan de Heesakkerstraat, een strategische positie van waaruit zowel Strijp als de gebouwen in het centrum gemakkelijk bereikbaar waren.

Ook dit was een voor die tijd ultramoderne kazerne, voorzien van een grote remise met zes uitrijpoorten, een eigen alarmcentrale voor alle Philipsgebouwen, een sportzaal, werkplaatsen, een kantine, een instructielokaal en kantoren. In de kelder werd na enkele jaren een klein brandweermuseum ingericht dat de geschiedenis van het korps toonde. In 1979 werd de kazerne verder uitgebreid en werd ook het instructiecentrum “De Putter” in Stratum toegevoegd aan de Philips Brandveiligheidsdienst. Hier werden alle Philips-werknemers in Nederland getraind en werden de brandblussers voor alle complexen onderhouden.

Uiteindelijk bleef er van de Philipsbrandweer weinig over. De productie in Eindhoven stopte en de Koude Oorlog liep ten einde. Er waren nog plannen voor een ‘Salvage’-dienst, die enige tijd onderdak vond in de kazerne aan de Deken van Somerenstraat, maar deze activiteit ging uiteindelijk over naar het bedrijf RICAS. De High Tech Campus had tot 2016 nog een eigen brandweer met een voertuig in de parkeergarage, maar ook die is inmiddels opgeheven.

En verder…

Tot slot zijn er de bedrijfsbrandweerkorpsen die in Eindhoven een eigen onderkomen hadden. Hoewel de meeste korpsen het moesten doen met een hoekje in een fabriekshal, waren (en zijn) er enkele die over een heus eigen gebouw beschikten.

DAF beschikt bijvoorbeeld over een ruim onderkomen. Officieel heeft het bedrijf geen bedrijfsbrandweer meer, maar een “BHV-plus” organisatie, die echter nog steeds eigen voertuigen heeft.

De Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) had tot voor kort een eigen pand, maar is nu samen met een uitrukpost van de regionale brandweer gevestigd in een (vermoedelijk tijdelijk) gebouw op het universiteitsterrein.

Een ander markant gebouw was dat van de bedrijfsbrandweer van de Rijks Psychiatrische Inrichting, later Psychiatrisch Ziekenhuis De Grote Beek. Dit pand is inmiddels verbouwd tot horecagelegenheid.

De Nutsbedrijven hadden enige tijd plichtbrandweerlieden in dienst die een gemeentelijke tankautospuit bemanden. Deze stond gestald in een gebouwtje op het eigen terrein – mogelijk het ketelhuis – van waaruit men snel de uitgang kon bereiken.

Ten slotte is er Defensie. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog was er een brandweer op vliegveld Welschap (toen een Duitse Fliegerhorst). Na de oorlog werd deze post overgenomen door eerst de Engelse RAF en later de Nederlandse Koninklijke Luchtmacht (KLu). Het oude Welschap is inmiddels een woonwijk, en het nieuwe Eindhoven Airport ligt een stuk noordelijker. Ook daar heeft de vliegveldbrandweer, die nog steeds onder de verantwoordelijkheid van de KLu valt, vanzelfsprekend een eigen, moderne kazerne.

Ten slotte

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van een reis door de tijd, maar niet door de ruimte. We hebben ons beperkt tot de kleine gemeenten die samen uitgroeiden tot het huidige Eindhoven en hebben ons ook na de regionalisering geconcentreerd op Eindhovens grondgebied.

Nu we het toch over de regionale brandweer hebben, is het goed om nog even stil te staan bij de gebouwen van de Bescherming Bevolking (BB). Na de opheffing van de BB eind jaren '80 werd hun hoofdkwartier aan de Gabriël Metsulaan overgedragen aan de regionale brandweer. Dit complex, met een ruim kantoorgebouw en garages, is inmiddels een milieustraat. De voormalige BB-commandobunker aan de Engelse Tuin is omgebouwd tot het regionale opleidingscentrum. Eerder al, in de jaren ’50, werden er voor de vele motorspuiten van de BB een aantal loodsen gehuurd aan de Hallenweg, vlak bij de kazerne aan de Edenstraat. Deze spuiten stonden namelijk ook ter beschikking van de gemeentelijke brandweer, die ze in geval van nood snel moest kunnen ophalen.

Hopelijk heeft dit artikel u een beeld gegeven van de parallelle ontwikkeling tussen de gemeente en de brandweer die haar dient. Opmerkelijk is dat de huisvesting eeuwenlang steeds groter werd, maar dat er deze eeuw plotseling een neerwaartse lijn zichtbaar is. Terug naar kleiner… en wie weet wat de toekomst zal brengen?

Tekst Peter Snellen
Redactie Eindhovenfotos.nl/ eindhoven4044.nl

Bronvermelding

Elink-Schuurman, W.H.A. Hoe werkt de brandweer? Deventer, 1913.

Merwijk, Tine van. Brandweergarages en –kazernes; categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965. Rijksdienst Monumentenzorg, 2007.

Pero, J. & Snellen, P. De brandweer van de Lichtstad. Grave, 1992.

Nederland Bouwt, themanummer over de brandweerkazerne voor Eindhoven. 1952.

Diverse krantenberichten (via Delpher), o.a.
Eindhovens Dagblad (24-11-1934)
Algemeen Indisch dagblad de Preangerbode (04-12-1952)
Zuiden voor Eindhoven, Meierij, Peel en Kempenland (23-12-1943)
Nederlands Dagblad - Gereformeerd dagblad (24-05-1978)
De Telegraaf (24-11-1952)
80 jaar Philipsbrandweer (uitgave Philipsbrandweer) Eindhoven 1982
Snellen, P.: De voertuigen van de Philipsbrandweer; Zaltbommel 2002

Onbekende auteurs: Diverse brochures uitgegeven tijdens de open dagen van de Philipsbrandweer in verschillende jaren.

Websites:
Eindhovenfotos / eindhoven4044 :
https://www.eindhovenfotos.nl
https://eindhovenfotos.nl/1/brandweer_eindhoven.htm
https://www.eindhoven4044.nl/11/brandweer1940-1944.html (in bewerking)