A.P. Hoynck van Papendrecht

Een artikel in Trompetter Kempen van 3 april 1998 geschreven door Harrie Fiers met Ad Hoynck van Papendrecht (Verzetsnaam Frits)

Geen titel, maar wel degelijk van adel.

Waalre De heer die de deur voor me opent steekt me meteen een welgemeende hand toe. "U moet van de Trompetter wezen" zegt zijn beschaafde en vriendelijke stem. Hij helpt me uit mijn winterjas en wijst de deur naar de woonkamer. Daar maak ik kennis met zijn echtgenote, niet van adel, maar met stijl, die me koffie, thee "of iets anders" aanbiedt. Wordt men zo ontvangen door een edelman? Geen landhuis met stallen te midden van uitgestrekte bossen, geen oprijlaan met aan het einde een norse portier, geen zwarte butler voor de koffie? Hoe leeft, anno 1998, een persoon van adel in ons eigen Brabant? En in dit geval: wie is A.P. Hoynck van Papendrecht?

Net als de ontvangst is het begin van het gesprek bijzonder ontwapenend. Terwijl mevrouw bezig is met de thee, toont de heer Hoynck van Papendrecht me enkele foto’s van een vakantie in Frankrijk. De familie is al jaren francofiel en brengt daar dus ook alle vakanties door. De heer Hoynck van Papendrecht is ereburger van een dorpje ten zuiden van La Rochelle aan de westkust van Frankrijk, het land van de oude adel, van la noblesse. 

"Wij zijn daar veel geweest, uiteraard met onze Toussaint, onze Thibault, onze Roswitha, onze Chalmer en onze Adielle. Ja, vijf kinderen hebben we, maar die wonen al lang op zichzelf en hebben hun eigen gezinnen". De namen van de nakomelingen klinken bepaald niet Brabants in de oren, maar het steeds terugkerende woordje "onze" des te meer. Niet zo vreemd, die Brabantse tongval, want beiden zijn in Brabant, meneer in Bergeijk en mevrouw in Vessem, opgegroeid en hebben er ook altijd gewoond. Maar laten we eens op zoek gaan naar het adellijk geslacht Hoynck van Papendrecht. 

Komaf

Op de vraag hoe oud de familie is zegt hij: "We hebben hier een boekwerkje met een bron die teruggaat tot in de elfde eeuw. In 1058 kreeg een lid van het geslacht Oem (daar was onze familie mee verbonden) in Dordrecht de riddertitel wegens zijn dapperheid in de oorlog tegen de Luikenaars. In 1562 werd ene Bernardus Hoynck, eigenaar van een prebende - een inkomen behorende bij een kerkelijk ambt – van de St. Servatorkerk in Utrecht, in Marseille vermoord. Dat begon dus al goed. Maar deze man had nog niets met het gebied Papendrecht in Zuid-Holland te maken. Een andere voorvader, Otto Hoynck, kreeg in het jaar 1606 een verwijsbrief van de ridderschap, de edelen en de steden van Holland en WestFriesland. Daarmee trad hij in dienst van de bestuurders, de Staten van Holland misschien, en kreeg daarvoor een leengoed onder Vlaardingen. Daar zou het begin van onze adellijke komaf kunnen liggen.

Pas in 1668 werd jonkheer Otto Hoynck, misschien een zoon van de vorige, verlijd (aangesteld) als vrijheer van Papendrecht en Mathena. Bij dit landgoed is dan in de loop van de tijd nog het gebied Chalmers gekomen, want onze volledige naam was Chalmers Hoynck van Papendrecht de Mathena. De laatste naam hoort bij de landgoederen in de buurt van Dordrecht, maar die beide laatste namen zijn er later "afgevallen". Vandaar dat we een van onze jongens genoemd hebben naar het landgoed Chalmers".

Is er een familiewapen?

"Jazeker. Hier op dit houtsnijwerkje is te zien dat het wapen gemaakt is bij het samengaan van de families Oem en Hoynck. Maar vraag me niet wanneer dat gebeurd is. De kenmerken van beide familiewapens zijn samengevoegd en er is tegen een rode en groene achtergrond een gouden leeuw te zien. Er is een spreuk bij gezet, in het Latijn uiteraard: Vivo leo cespite tutus. Bij ons in de familie is dat altijd vertaald met Ik, de leeuw, leef veilig achter groene zoden en met die zoden worden dan de dijken aan zee en de rivieren bedoeld. Maar of die vertaling helemaal juist is, zou ik niet weten. Wij hebben hier in huis ook nog een portret van een voorvader, ene Cornelis Paulus, uit 1810, ritmeester bij de Garde du Corps van koning Lodewijk Napoleon. Mijn broer heeft het originele schilderij. En dan zijn er natuurlijk nog de wapens. Hier aan de muur hangen enkele duplicaten – in dit geval van vuurwapens uit de negentiende eeuw – die horen bij de erfenis van onze familie".

Dokter

Hoe kwam uw familie in Brabant terecht?

"Mijn opa werd opgevoed aan het hof van koning Willem de Derde, op paleis het Loo dus, in Apeldoorn. Later kwam hij naar Den Bosch en werd daar kapitein van de infanterie en adjudant van de toenmalige Commissaris van de Koningin. Ook was hij administrateur van de Maatschappij van Brandverzekering van het Koninkrijk der Nederlanden. Zijn kantoor was in een gebouw net achter de Sint-Jan. De naam staat nog in de tegels boven de ingang. Daarnaast had hij de erefunctie van commandant van de stedelijke schutterij. In de Eerste Wereldoorlog was hij commandant van de vesting Jutphaas, net onder Utrecht.

Mijn vader studeerde medicijnen, is arts geworden, en heeft zich later, in 1917, in Bergeijk gevestigd. Hij promoveerde op een studie naar de vroege kindersterfte in Noord-Brabant. Hij ijverde als een van de eersten voor de komst van vroedvrouwen in de Kempische dorpen. Hij is tot 1947 huisarts geweest, inclusief gemeente-arts "om behoeftigen te behandelen en lijkschouwingen te verrichten".

Ik heb hier nog een kaart die hij op weg naar zijn sollicitatie aan mijn moeder schreef. Hij was niet zeker van zijn zaak, want er staat: " Vertrokken in Dommelen om 03:00 uur, aangekomen om 7:00 uur. Ik hoop dat er ondertussen nog geen andere is aangenomen".

Hertrouwd

"Ik ben in 1920 als tweede kind geboren. Mijn moeder stierf bij de geboorte van haar vijfde kind, toen ik drie jaar was. Na een jaar hertrouwde mijn vader met een onderwijzeres uit het dorp , maar die stierf twee maanden na het huwelijk aan een longontsteking. Met de derde vrouw had mijn vader nog twee kinderen. 
Binnen mijn familie is niet bewust gezocht naar huwelijken en relaties met adellijke partners. Mijn moeder, uit Den Bosch, heette Van der Bruggen. Zij was van een aanzienlijke familie, maar zeker niet van adel. Wel reden zij als een van de eersten in een auto. Mijn vader heeft zich ook nooit laten voorstaan op zijn goede naam of adellijke afkomst. Hij was eerder een bescheiden man, die maar weinig sprak. Maar als notabele van het dorp kon hij er natuurlijk niet onderuit mee te draaien in het maatschappelijk leven. Hij vond dat hij dat aan zijn stand verplicht was en die

mentaliteit heeft hij ook aan zijn kinderen overgedragen. Zo werd hij voorzitter van de harmonie Echo der Kempen, voorzitter van de Woningbouwvereniging, lid van het College van Medisch Tuchtrecht, ereburger van Bergeijk en ridder in de orde van Oranje Nassau. Ik herinner me dat hij een begenadigd spreker was. Na zijn artsenpraktijk in 1947 werd hij controlerend geneesheer bij het GAK voor de Belgische werknemers van Philips".

Groeide u op als een speciaal kind, daar in het landelijke Bergeijk?


Op briefpapier van zijn vader levert "Frits" A.P. Hoynck van Papendrecht zijn verhaal in over hoe de P.A.N. aan hun uniform (blauw overall) en hun naam P.A.N. (Parisanen Actie Nederland) kwamen.
De heer J. Vriens was bezig met het nooit uitgegeven P.A.N. boek "Zooals het was".

Groeide u op als een speciaal kind, daar in het landelijke Bergeijk?

"Nee, dat idee heb ik niet. Wij woonden recht tegenover het gemeentehuis, tenminste, dat werd er later gebouwd. De burgemeester en de secretaris kwamen wonen in wat onze tuin was. Wel ben ik al op mijn tiende jaar naar de kostschool gegaan, in Rolduc (Zuid Limburg), samen met mijn broer. Dat was bij ons heel gebruikelijk. De vier jongsten gingen in Eindhoven naar de middelbare school.

Maar desondanks kende iedereen me: het zoontje van den dokter. Wij zaten met ons gezin ook altijd in de voorste bank in de kerk. Maar ik kende de mensen in de dorpen ook wel, want ik ging met mijn vader mee om visites te rijden en op de bosweggetjes de auto uit te proberen. Daarvoor was gelegenheid genoeg, want vader had als huisarts een enorm gebied te bestrijken, van Luyksgestel tot en met Borkel en Schaft".

Uw verdere opleiding?

"Eerst ben ik op verzoek van mijn vader medicijnen gaan studeren, maar al een jaar later verhuisde ik naar de Technische Universiteit in Delft. Toen in 1943 de universiteiten moesten sluiten op bevel van de bezetter, ging ik terug naar Bergeijk.

Als snel kwam ik in het verzet terecht. Ik heb hier in de omgeving de verzetsorganisatie P.A.N. (Partizanen Actie Nederland) opgebouwd. Als student moest ik natuurlijk onderduiken en een half jaar heb ik hier in Luyksgestel in een ondergrondse houten keet gezeten.

Toen de oorlog maar bleef duren, de winter kwam, mijn zussen zodoende minder gemakkelijk eten konden brengen en de hazen en konijnen niet meer te stropen waren, ben ik naar Valkenswaard gegaan. Ik kreeg daar contacten met de L.O. (Landelijke Onderduikersorganisatie) en bouwde de groep uit tot tachtig tot honderd man. Die mensen van het toenmalig verzet komen nog steeds bij elkaar. Ik zit in het hoofdbestuur van de NFR, de Nationale Federatieve Raad van het voormalig verzet Nederland.

Ad Hoynck van Papendrecht = Frits

Ad Hoynck van Papendrecht = Frits
                     Foto van een van de diverse persoonbewijzen uit de Eindhovense oorlogsjaren 1940 - 1944. Hij is dan 23/24 jaar.
Meer op; https://www.eindhovenfotos.nl/3/pan.html

Wat gebeurde er na de oorlog?

"Ik werd in het najaar van 1944 bij prins Bernard geroepen en moest de Eerste Compagnie Stoottroepen formeren, om de flanken van de Corridor te beschermen. Maar anders dan mijn voorvaderen had ik geen militaire achtergrond. Later ben ik als oorlogsvrijwilliger naar Engeland gegaan voor een opleiding als gevechtspiloot bij de RAF. Voordat ik mijn "wings" gehaald had was de oorlog voorbij en eenmaal terug in Nederland bleken er geen militaire vliegtuigen meer te zijn.

Toen ben ik bij de DAF terechtgekomen. Een groot deel van mijn verdere leven, 27 jaar, heb ik daar gewerkt. Ik deed onder meer de octrooiafdeling. Bij de splitsing tussen Volvo en de firma Van Doorne in 1975 heb ik gekozen voor Volvo en daar ben ik nog zeven jaar gebleven. Toen ik in de vut ging heb ik een technisch adviesbureau opgericht".

Hoynck van Papendrecht

Ad Hoynck van Papendrecht
foto voorjaar 1998

Edelman

Een edelman kwam naar Waalre?

"Nou, edelman. Wij draaiden in het heel gewone leven mee hoor. Kort na ons huwelijk kochten we hier een groot stuk grond, bouwden een huis en begonnen een gezinnetje. Mijn vrouw, dochter van de burgemeester van Vessem, had het best druk met de opvoeding van onze kinderen. Ikzelf was vaak in het buitenland voor mijn werk. Aan alle kanten was de wederopbouw bezig. Wij hadden niet eens de tijd om ons speciaal te voelen. Er woonden hier in de buurt wel veel mensen van Philips. Zij kwamen van buiten Brabant en hun mentaliteit was toch wel anders dan de onze. Ze hadden allerlei clubs, maar daar deden wij niet aan mee. Nee, onze familie is wel van adel, maar dan zonder titel en laten we dat maar zo houden. Ik vind dat je je niet moet laten voorstaan op je adellijke komaf, maar wij als edelen hebben toch wel een beetje een speciale plaats. Van adel zijn en daarnaar proberen te leven geeft iets meer cachet, of gewoon iets meer kleur. Je ziet mensen van onze stand, van de adel dus, vaak terug bij allerlei maatschappelijke organisaties. Ik vind dat positief. Zo ben ik zelf voorzitter van het Comité Gedecoreerden van de gemeente Waalre.

Op 31 januari was er zoals ieder jaar een bijeenkomst voor deze mensen op het gemeentehuis. Ze ontmoeten elkaar en er wordt elke keer een spreker uitgenodigd, die iets komt vertellen over de democratie, het koningshuis of dergelijke zaken. Niet persé nodig maar het geeft wat fleur, niet dan?"

De adel moet blijven?

"Jazeker. Je moet de traditie niet zomaar overboord zetten, want later heb je daar altijd spijt van. Zo ook met het koningschap. Het is niet goed dat hier in Nederland alles wat boven het maaiveld uitsteekt, wordt afgemaaid. Het gewone leven kan best wat kleur gebruiken en ik denk dat dames en heren van adel daar mede voor kunnen zorgen".

auteur: Harrie Fiers
Bron: Trompetter Kempen van 3 april 1998