free web builder

Jacques Hermans

Levensbeschrijving

Jacques Hermans
Jacques Hermans

Levensbeschrijving

van Jacques, Hubertus, Antonius, Hermans
geboren te Venlo veertien februari negentien-honderd en zes 

opgeschreven 25-02-1946

Opgemaakt in duplo: Deze beschrijving bestaat uit een voorblad en negen bladen. te Eindhoven, den zes en twintigsten Februari
negentien-honderd zes en veertig.
J.Hermans.

Namen en schuilnamen

Alle hierin voorkomende namen, of schuilnamen, en alle gegevens zijn controleerbaar. Zonder schriftelijke toestemming van mij is het verboden, dit te publiceren of over te nemen.

Mijn vader H.J. Hermans had te Venlo Straalseweg 114 een groenten-export zaak, annex tuinderij en café. De exportzaak dreef reeds meer dan 60 jaar handel met Duitsland meer speciaal Keulen. Door de devaluatie van de Duitse Mark in de jaren 1919-1922 werden zware verliezen geleden en ging de zaak ten gronde. Door het ontbreken van de benodigde financiën, kreeg ik niet de opleiding die mijn beide oudere broers genoten hadden, H.B.S. respectievelijk Gymnasium en Rolduc, doch moest met M.U.L.O. volstaan. Na het overlijden van mijn vader in 1924, mijn moeder was reeds eerder overleden, werd ik intern volontair om het tuindersvak te leren. Spoedig bleek, daar ik niet over kapitaal beschikte, hierin geen toekomst voor mij te zitten. Mijn lang gekoesterde wens om militair te worden ging in 1926 in vervulling. Na verkregen toestemming van mijn voogd, verbond ik mij te Nijmegen als "Aanbevolen militair” voor de tijd van drie jaren bij het Koninklijk Nederlands Indische Leger en vertrok begin 1927 naar Indië.

Bij aankomst aldaar werd ik direct geplaatst op de Kaderschool te Magelang en werd na een jaar brigadier, na de gebruikelijke praktijk van een half jaar te Djokjakarta, terug op kaderschool en in negen maanden sergeant. Na in verschillende garnizoenen te hebben gediend, vanuit Lahat, Zuid Sumatra met verlof naar Nederland. Terug van verlof geplaatst op Atjeh, en na een korten tijd te Padang Tidji, ingedeeld bij het Korps Marechaussee van Atjeh en onderhorigheden bij de 1e Divisie te Blangkedjeren. Aldaar toegelaten tot het examen voor sergeant-majoor instructeur. Mijn geschiktheid voor administrateur en kwartiermeester respectievelijk te Lahat en Palembang. Dit examen werd door mij niet afgelegd, daar ik op patrouille een zo zware aanval van malaria kreeg dat ik moest worden geëvacueerd naar Koetaradja. Na een tijd in het ziekenhuis te zijn verpleegd, werd ik tijdelijk ongeschikt verklaard voor de dienst te velde. Enige maanden daarna, toen zich geen verbetering voordeed, werd ik ongeschikt verklaard voor de dienst te velde in de tropen. Daar ik mij niet aangetrokken voelde tot een administratieve functie, doordat de marechaussee-geest mij te pakken had, werd aan mij eervol ontslag verleend en vertrok ik naar Nederland. In mei 1936 huwde ik te Eindhoven met W.G.P. Camps geboren te Oostrum gemeente Venray op 24 februari 1909, waarmede ik gedurende mijn verlof had kennis gemaakt. De zaak Drogisterij en Fotohandel, voordien door mijn echtgenote en haar tante gedreven, werd door mij voortgezet en in 1937 verplaatst naar het huidige adres, Strijpsestraat 184 "het Kruispunt". Tot 1940 de zaak en alles wat daarmede verband hield behartigd. 

Te Eindhoven een afdeling van de katholieke Drogistenbond opgericht en was voorzitter daarvan. Verder mijn vrije tijd besteed aan studie voor Apothekers assistent en Drogist, de examens hiervoor werden gestagneerd door het uitbreken van den oorlog en werden eerst in 1942 door mij afgelegd. Tijdens de bezetting het aanbod om lid te worden van de ondervakgroep Drogisterij, afgewezen.

De inval van de Duitsers, de snelle doorbraak, werd door mij helaas als buitenstaander gevolgd. De reeds spoedig tegenover mij ingekwartierde Duitsers, moest ik noodgedwongen in mijn zaak toelaten, mijn huiskamer en huis waren uitsluitend toegankelijk voor goede Nederlanders, zij werden gedurende de bezetting slechts tweemaal door Duitsers betreden. De eerste maal voor inkwartiering, die ik af wimpelde, de tweede maal bij mijn arrestatie.

Bij de oprichting en bloei van de Nederlandsche Unie werkte ik mee, later als leider van Strijp ( deel van Eindhoven). Toen de gehele Eindhovense W. A. op Schippershof de ruiten insloeg om het daarachter hangende Unie biljet te verwijderen. Het welk tot een rel leidde, waarbij de W. A. van vuurwapens gebruik maakte, en de goede Nederlanders zich met schoppen weerden, wist ik door persoonlijk de gemoederen te bedaren, te voorkomen dat het erger werd. Zonder dat door ons de straat ontruimd werd. Reeds toen werd door mij een grondslag gelegd om indien de Unie zou worden verboden illegaal verder te werken. In groot verband mislukte dit, een prima kern werd toen reeds gevormd. De eerste tewerkstellingen in Duitsland begonnen, hiertoe behoorden ook P.J. Haagen, die mij voordien reeds dikwijls hielp in de fotoafdeling van mijn zaak. Principieel zijnde dook hij direct onder en kwam na enige omzwervingen bij mij terecht. Links en rechts werd door mij toen reeds ongeorganiseerd geholpen. De grote Meistaking bracht extra werk, militairen moesten duiken en de nodige plaatsen hiervoor worden gezocht. Mijn broer die door een toeval tegen een Duitse Feldwebel aanliep, kreeg van deze enkele klappen, welke hij met rente terug gaf. Gevolg: acht maanden gevangenis. Toen hij te Utrecht op het station enige ogenblikken door zijn Duitse bewaker uit het oog verloren werd, wist ik hem mee te tronen, voorzag hem van een vals P.B. (Persoonsbewijs) zodat hij onder kon duiken. Intussen was ik via Max Laurey in contact gekomen met Piet Goede, die mij verzocht de L.O. (Landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers) in Strijp te organiseren.

Piet Haagen

De snelle groei hiervan, deed mij spoedig besluiten om P.J. Haagen, eerst onder de naam "Pierre” later "Tom" als koerier aan te zoeken. Mede aan zijn werklust en Vaderlandsliefde is de snelle groei van het verzet in onze wijk van Eindhoven, maar ook in Eindhoven, mogelijk geweest. Daar ik ook mijn zaak moest behartigen, nam ik J. Daamen "Johnie", in vertrouwen om mede de administratie te voeren. We hielden ons toen bezig met alle mogelijke werkzaamheden voor onderduikers. Het vervalsen van P.B.'s, het op valse papieren terug halen, of laten halen van distributiebescheiden, het inzamelen van gelden, en het verkregen geld zo goed mogelijk verdelen. Voor dit doel werd ook van degene die het missen kon fl.5.-- per bonkaart verlangd, daar wij dit geld voor steun aan onbemiddelden niet konden missen. De latere oprichting van het N.S.F. (Nationaal Steun Fonds) leidde automatisch tot opheffing van betaling van bonkaarten. Ook met de vervalsingen ging het beter, toen de interstedelijke koerier Dick F.C. (Dick Bolhuis) regelmatig kwam aanlopen. Inmiddels had ik contact opgenomen met de in onze wijk ook werkende personen, Onno (Rinsema) en X.X. (Walhout) deze werkten met diverse personen over geheel Eindhoven. Door Tom werd contact gelegd bij Philips, op valse papieren werden daar door ons een duizendtal onderduikers ondergebracht, evenals bij diverse andere werkgevers ter plaatse. Gevaarlijkere gevallen werden via de plaatselijke L.O. naar het platteland afgevoerd. Alle werkzaamheden hiervoor werden bij mij in het kantoortje achter de zaak uitgevoerd. Helaas werd in oktober de plaatselijke leider van de L.O. Piet Goede gearresteerd, we konden op generlei wijze iets afdoende voor hem doen. Piet Goede werd opgevolgd door Ad. (A. v.d. Holst) en zijn echtgenote. Daar het op vervalste bewijzen doen terughalen van distributiebescheiden was uitgelekt, kon dit niet meer geschieden. Het aantal te verzorgen personen steeg nog steeds. Om een betere en veiligere verzorging te krijgen, werden door mij nog verschillende personen aangezocht, te weten "het Sieraad" Zeer Eerwaarde heer de Kroon, "de Bruin" Zeer Eerwaarde Pater Laurentius, “Wein" de heer Weinberg, "Gus" Gussenhoven, “Ley" de heer Wellink en de Zeer Eerwaarde Heer Roothans "Hans" welke laatste via Johnie contact onderhield. Via Tom of de toen in opleiding zijnde koerier "Peter" P. Abrahams kwam uiteindelijk alles bij mij terecht. Aan allen werd verzocht niet meer aan te lopen dan strikt noodzakelijk was, alle af te werken papieren werden onder de mom van fotoafdrukken in fotozakjes in de zaak bij mij afgeleverd gehaald of gebracht. In die dagen kwam ik ook in contact met "Sander" Th. Dirks. De losstaande vereniging van Onno, X.X. C.S. werd op een door mij geleide vergadering, na gemeenschappelijk overleg, verdeeld en ingelijfd bij de L.O. wijken. Onno zelf nam speciaal de verzorging van joden ter hand, terwijl de anderen (W.19 en Vos) zich specialiseerden in het onderbrengen van jongens in hun buurt, zij hadden (Drents dorp) zo ongeveer de doorgangshuizen voor Eindhoven. Sander zorgde dat, niettegenstaande de gladheid van de weg door bevroren sneeuw, een aantal flesjes fosfor werd afgeleverd, die na bij mij tot het juiste moment te zijn opgeborgen, na rijp beraad in het Eindhovense Gemeentehuis werden gedeponeerd met het doel het bevolkingsregister, bron van gegevens voor de Duitsers, te vernietigen. De poging gelukte slechts ten dele doordat slechts een van de drie flessen brak en de al te ijverige politie de brand bluste.


Valse ausweiss uit collectie Jacques Hermans

De noodzaak om zelf voor bonkaarten legitimatiepapieren en dergelijke te gaan zorgen kwam steeds meer naar voren. Ook en niet in de laatste plaats was er behoefte aan valse en echte P.B.'s. Er was door mij in samenwerking met Tom reeds een aantal fotocliché's vervaardigd voor ausweiszen en P.B.'s de zogenaamde A.35 serie tweede druk, welke door Dick F.C. verder werden afgewerkt, deze voldeden echter niet voor ernstige gevallen. Er moesten originele P.B.'s komen en ook zegels hiervoor. Na een aantal besprekingen, kwamen we (Jan, Jo, Tom, Dick, Theo en Wim) tot een goed opgezet plan voor een overdag-overval op het gemeentehuis te Eersel. Door samenloop van omstandigheden mislukte deze overval, Sander en Jo werden door hun humaan optreden gewond. Even was het rustig, daarna werd mijn raad tot stelregel aangenomen: "draag geen pistool, indien je het niet gebruikt". Inmiddels werden de plaatselijke L.O. leider Ad en zijn echtgenote door de S.D. gezocht, het gelukte hun uit handen van de S.D. te blijven.


Foto Jacques Hermans en zijn werkbureau 1942  nog met radio

Toen Sander trachtte de sleutel van de kluis van het distributiekantoor van Eindhoven te bemachtigen, lekte dit uit door verraad. Zijn echtgenote kon nog juist op tijd gewaarschuwd worden en had bij mij een onderhoud met hem. Sander moest zijn operatiecentrum verplaatsen. Dick F.C. zorgde voor twee nieuwe pistolen, welke door zijn verloofde bij mij werden afgeleverd. Een contact bij de P.T.T. zoon van X.X., wist waar de ingeleverde zendlampen en het andere materiaal van de amateur-zendstations was opgeslagen. Voor en na werd een groot deel van de lampen, na ingebracht verzoek omtrent type, via mij en Dick F.C. afgeleverd door het gehele land. De noodzaak om op een afdoende wijze te verdoven deed mij besluiten een speciale narcose kap met de daartoe benodigde chloroform aan te schaffen. 

De eerste bijeenkomsten en besprekingen over de op te richten verzetsgroep de P.A.N. hadden plaats. De Z. kaarten brachten grote beroering, ze werden nagedrukt en in grote getale met verkeerde afzender en gegevens ingezonden, mijn eigen had ik helaas vergeten. En het valse bewijs van inlevering dat via de L.O. kon worden verstrekt ontving ik te laat. Tevoren had reeds tweemaal een contact op het gemeentehuis er voor gezorgd dat ik niet hoefde te gaan spitten in Zeeland. Toen in verband met de Z.kaart een oproep voor Duitsland kwam, werd door bemiddeling van Dr. Holtzer voorkomen dat ik onder moest duiken en het werk in de steek moest laten. 

De sabotage begon ook de aandacht te vragen. Brandpakketten met de onschuldigen naam Reinigingsmiddel, welke bij mij waren opgeslagen werden in ruime mate gebruikt voor het opruimen van stro-opslagplaatsen van de Weermacht. Doordat men een onderduiker spoorwegkoeriersdienst liet verrichten werd deze door de S.D. gearresteerd. De plannen ontworpen voor zijn bevrijding werden door mij als niet nodig en te fantastisch aangemerkt. Te meer daar de S.D. hem gewoon als onderduiker beschouwde en hij geen gevaar liep. Een plan om de ter dood veroordeelden te Haren te bevrijden werd groots opgezet, een afspraak werd gemaakt om tot een uiteindelijke beslissing te komen. Deze bespreking zou ten mijnen huize gevoerd worden. Daags voor deze bespreking werd ik gearresteerd. De anderen die deze bespreking zouden bijwonen werden tijdig gewaarschuwd.

King Kong

foto Chris Lindemans, alias King Kong

Op Chateau Wittock te Brussel had ik in November 1944 met King Kong een heftige woordenwisseling over bedoelde overval, ik wantrouwde hem toen al, dit wantrouwen werd later bevestigd. In Mei 1944 werd Bladel van zijn bonkaarten bevrijd, de buit werd na enige tijd op 5 juni bij mij afgeleverd ter verdere verdeling onder de L.O. Intussen had ook het vervoeren en verzorgen van piloten enige omvang gekregen. Het vervaardigen van de valse Nederlandse en Belgische Persoon bewijzen, evenals het maken van de foto's en afdrukken hiervoor geschiedde bij mij deels door mij en Tom. 

Zaterdag 8 juni vertrokken Tom en Harry (H. Aarts) voor het wegbrengen per recherche auto van enige piloten. Op deze hun laatsten tocht werden ze gearresteerd en op 19 augustus 1944 te Vught gefusilleerd. Zondag ochtend daarop volgend werd ik tijdens mijn ontbijt gearresteerd door de S.D. chef van Eindhoven, Weber. Daar ik belang had om hen zo spoedig mogelijk de deur uit te krijgen, om huiszoeking te voorkomen, kon ik bijna geen afscheid nemen van vrouw en kinderen en had ook geen gelegenheid omtrent de nog aanwezige zaken, enige mededeling te doen. In de auto gezeten vroeg Weber mij naar een zekere Frans van Gennip, daar dat ik wist dat dit een van Tom's persoonsbewijzen was, begreep ik dat er iets mis was. Gelukkig gaf ik blijkbaar een goed antwoord. Want ik werd naar het politiebureau vervoerd en niet naar Vught zoals aanvankelijk in de bedoeling lag. Vrijdag d.a.v. werd ik naar Vught vervoerd. Mijn echtgenote werd hiervan tijdig op de hoogte gebracht en wist in de trein in mijn nabijheid plaats te nemen. Ik kreeg een vrij nauwkeurig verslag van het gebeurde met Tom en kon nog enige inlichtingen geven over de bij mij thuis opgeborgen goederen. De ledenlijst in code van de twee honderd leden van de P.A.N. was direct in veiligheid gebracht, evenals twee radiotoestellen, flesjes fosfor, munitie en pistolen (en landkaarten van piloten, 2 kisten van Bladel). Een 90 tal Belgische P.B.'s met stempel had men niet kunnen vinden, evenmin als een aantal ontstekingen en mijn persoonlijke valse papieren, die ik die dag gelukkig niet in mijn zak had.

Al mijn medewerkers waren onmiddellijk te hulp gekomen, niettegenstaande zij met zekerheid konden aannemen dat mijn huis onder bewaking stond. In Vught nam ik afscheid van mijn vrouw in de stellige overtuiging haar niet weer te zien. In Mariënhof werd ik eerst een viertal uurtjes in de kelder opgeborgen, tegen vier uur werd ik eruit gehaald en naar een auto gebracht. Ik zat reeds in de auto toen een ander kwam zeggen dat ik bij de Obersturmbannführer moest komen. In zijn kantoor werd ik uitgenodigd te gaan zitten en de eerste vraag was of ik een zekere Frans van Gennip kende. Ik vertelde hem hetzelfde verhaaltje van de naamgenoot Harry van Gennip, de man van mijn nicht. Hiermede was ook hij blijkbaarbaar tevreden. Daarna vroeg hij of er wel eens iemand in de donkere kamer bij mij kwam? Het antwoord hierop alleen vroeger het personeel mijn compagnon ,en een paar maal iemand van Philips en de Bauleitung van het vliegveld was blijkbaarbaar ook al goed. Hierna gaf hij mijn persoonsbewijs aan mij terug, maar nam het direct weer af, zogenaamd om nummer enzovoort te noteren. Onder die bezigheid zei hij plotseling. Een kerel heeft me gezegd dat jij lid bent van een “terrorbende”. Zeer verontwaardigd zei ik hem dat ik nooit aan politiek deed en getrouwd was en vijf kinderen had. Het gehele verhoor was blijkbaar ten gunste van mij verlopen, ik kon vertrekken. Maar alvorens mij te laten gaan vroeg hij of ik steeds te bereiken was en of anders mijn echtgenoot wist waar ik verbleef. Een en ander werd natuurlijk door mij bevestigend beantwoord. Daar ik een handdoek met toiletartikelen bij mij had, vroeg hij of ik misschien een papier wilde hebben om dit in te pakken. Zoveel vriendelijkheid kon ik niet afslaan. Maar direct zei hij toen, "Maar het is een Duitse krant". Dat hinderde niet, maar ik vergat erbij te zeggen dat bonkaarten en ander materiaal meestal in Duitse kranten vervoerd werd. Na deze vriendelijke man, vriendelijk bedankt te hebben, verliet ik het vertrek. In de gang kwam hij mij plotseling achterna en zei, "Een ogenblik, ik moet de wacht nog waarschuwen dat je ontslagen bent". Ik schrok gelukkig niet uiterlijk merkbaar en antwoordde. "Ja, dat is waar ook." Aan de wacht vroeg ik een vuurtje voor mijn sigaret en stapte zo rustig mogelijk de vrijheid in, mij wel bewust dat deze vrijheid wel eens van niet te lange duur kon zijn, wat ik kon opmaken uit de belangstelling van enkele heren die tot aan mijn huis in mijn nabijheid bleven. 


Daar Jan en de anderen het plan hadden om mij eventueel met geweld te bevrijden, waren mijn kinderen reeds in veiligheid gebracht. Niemand, ik zelf wel het minst, had erop gerekend zo vlug terug te zijn. Na enige dagen kwam Jan (R. Looij) reeds opdagen, verschillende noodzakelijke dingen moesten worden afgehandeld, in de eerste plaats het gebeurde met Tom en Harry. Onder deze bespreking berichtte het dienstmeisje dat er op het binnenplaatsje bij de buren enkele individuen met kaplaarzen stonden. We bekeken ze even door het bovenvenster en achten het toen raadzaam om, om te rijden. Men hield mij wel in de gaten, maar er gebeurde toch niets. Het werd echter raadzaam om een tijdje met vakantie te gaan. Daarom vertrokken mijn echtgenote en ik per rijwiel via een binnenpaadje naar Oostrum, Limburg. Het werk rustte echter niet, verschillende besprekingen met Eb deden mij spoedig inzien dat het noodzakelijk was naar Eindhoven terug te keren.

Eerst voor een bespreking, om de lopende zaken van de L.O. af te handelen, waarbij ik de leiding hiervan aan Johnie overgaf op 6 augustus 1944, om mij verder geheel aan het komende verzetswerk te kunnen geven. Na me nog enige tijd onledig te hebben gehouden met het opzoeken van bekenden in Limburg en het tegelijkertijd opnemen van de veranderingen in de z.g. Peelraamstelling speciaal in de omgeving van Deurne, keerden wij op 14 augustus naar Eindhoven terug.

Op 15 augustus werden door het miswerpen van een aantal bommen, bedoeld voor het vliegveld, mijn huis en zaak zwaar beschadigd. Van alle P.A.N. en L.O. leiders (o.a. Dick, Peter, Eb, Ley, Willy) kreeg ik onmiddellijk hulp. Zij kwamen regelmatig meehelpen opruimen, welke camouflage zeer goed was om bij elkaar te komen. De adressen van “onvaderlandse” elementen, reeds in mei bij elkaar gebracht werden vervolledigd. Door X.X. Jr. werd clandestien de telefoon weer aangesloten, waardoor we een prachtige onderlinge verbinding kregen met het hoofdkwartier van de P.A.N. De organisatie werd vervolmaakt en de plannen konden rustig uitgewerkt worden. Voor het uitvoeren van de spoorwegsabotage, werd op Wal 1 het hoofdkwartier, terwijl de Duitsers voor de deur stonden, de springstof uitgereikt, welke door koeriers en koeriersters naar de plaatsen van bestemming werd gebracht. Voor het ten uitvoer leggen hiervan was men echter aangewezen op de oude K.P.'s. Een ogenblik leek het of ik persoonlijk moest meewerken hieraan door gebrek aan liefhebbers. Ome Jan stelde zich beschikbaar, doch achteraf bleek zijn interesse niet zo groot te zijn dat hij meeging en moesten vervangers invallen. Dolle Dinsdag bracht aardig wat werk aan de winkel en een aardige buit aan wapens, daar de wapens welke op het afwerpterrein zouden neerkomen, op zich lieten wachten. Door mij persoonlijk werden wapens en munitie onder bewaking gesteld in de school aan de St.Trudostraat en deels zelf in veiligheid gebracht.

Terwijl het andere gedeelte door ome Jan werd meegenomen. Het rondlopen in blauwe overall, tegen de orders, was oorzaak dat de teruggekeerde Grüne in samenwerking met landwacht en S.S. ons nog een benauwd halfuurtje bezorgde, wij ontsnapten in de voornoemde school ternauwernood aan een overval. 


De even later door provocatie gepleegde moord op Henk en Karel spoorde ons nog eens extra tot voorzichtigheid aan. De meesten zorgen had ik door het aanhoudend opletten op diegenen die ongedisciplineerd tegen de Duitsers zouden willen optreden, met alle gevolgen van dien voor de burgerbevolking. Immers schieten en daarna weglopen was geen kunst, doch een dode Duitser zou zeker tien burgers het leven kosten. 

De noodzaak om snelle beslissingen te kunnen nemen, leidde tot het oprichten van de Staf P.A.N., speciaal op aandringen van het Rayon Strijp. 
Ik werd ook in deze staf gekozen op een algemene vergadering van Rayons Commandanten. Een algemene regeling voor het bezetten van punten en delen van de stad werd opgesteld, de groepen en commandanten hiervoor aangewezen. Schetsen en inlichtingen werden doorgeven naar de geallieerden. Zo brak de dag der bevrijding aan. In de nacht werd een inspectietocht door ons gehouden langs alle R.C. in Eindhoven, met de groepen in de buitengemeenten was nog geen contact. De volgende dag rolden de tanks binnen, de avond van de bevrijding waren Jan v.d. Harten en ik naar de radiorede van hem gaan luisteren door hem die middag uitgesproken. Nadat het Duitse bombardement was afgelopen gingen we op zoek naar ons hoofdkwartier op de Stratumsedijk. Het was vreselijk toegetakeld en wij besloten maar meteen het weer naar de Willemstraat te doen verplaatsen. De volgende dag werden door mij de gegevens verstrekt aan de Capt. Quissart van de stelling bij Deurne. Op zijn verzoek richtte ik de Verkennersgroep op, hoofdzakelijk bestaande uit de verkennersgroep Stratum. Deze groep vertrok direct in de richting Nijmegen met opdracht de weg links, rechts te verkennen en contact op te nemen met de verzetsbeweging om de nodige gegevens te verstrekken. Zij kweten zich uitstekend van deze taak, de verzamelde gegevens werden in de nabijheid van Gemert radiografisch doorgegeven, de groep zelf moest met achterlating van een hunner, die gewond was door een aanrijding in de nacht, terugkeren. Uit de aard der zaak hadden wij direct voor een doorlopende bezetting van de Staf gezorgd. Inmiddels was er een vergadering belegd door de Majoor van Houten, Mr. van Dijk en Peter Borghouts, hierbij was echter niemand van de P.A.N. vertegenwoordigd. Op 24 september 1944 werd in het Philipsontspanningsgebouw een vergadering van de P.A.N. belegd. Daar werd medegedeeld dat de P.A.N. namens de geallieerden was opgeheven en werd tevens de Stoottroepen, de z.g. Koninklijke Patrouille opgericht. Zij werd voorgesteld als zou deze door de linie moeten heen breken, droppen enz. Daar ons dit in verband met het tot nog toe gedane werk der K.P. niet onwaarschijnlijk voorkwam, sloot ik mij daar bij aan en nam de interne leiding op mij.



Stoottroepen van het Commando-Brabant/Regiment Commando-Brabant gedurende de Tweede Wereldoorlog. Bezoek van Z.K.H. Prins Bernhard aan het bevrijde Eindhoven. De Prins is gezeten in een van zijn Jeeps, met als bewaking militairen van het Korps Commandotroepen, terwijl een uitzinnige bevolking De Prins toejuigt.

lid L.O.

Lid P.A.N.

Later bleek echter dat de Stoottroepen niet veel verschilden van de "Blauwe Jagers" later Jagers, dus hetzelfde werk als dat van de oude P.A.N. Na de verplaatsing naar de Don Boscostraat werd door mij de meest logische indeling gemaakt. In verband met het karakter, werden de bestaande groepen intact gelaten onder hun eigen commandanten. Daar mijn kinderen nog steeds in Sittard verbleven, hetwelk bevrijd was, stelde ik de Gewestelijk Commandant de hoogte dat ik in een dag daar heen en terug wilde. Bij mijn terugkomst bleek echter een compagnie gevormd te zijn, met een ander, een buitenstaander, als commandant. Hoofdzaak was dat een zekere Struyck, die reeds enige wagens had gevorderd en er door mij was uitgezet, een vreselijke grote mond opzette tijdens mijn afwezigheid. Daar ik toen ook eens praatte en duidelijk liet voelen dit niet volgens de geven richtlijnen was, kwam er enige verandering. Ik kreeg de vererende opdracht een lijfwacht te formeren en de bewaking te leiden van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard te Brussel. Welke opdracht ik aanvaarde, daar ik de noodzaak van een goede bewaking inzag, speciaal door mensen welke goed bekend waren met de Duitse methoden. Afwijkende van de oorspronkelijke opdracht mocht ik niet zelf mijn mensen kiezen, doch kreeg ik er een aantal uit de omstreken van Gemert wier gedragingen etc. ik niet kende. Daar ik echter hoopte misschien ook in een ander opzicht nuttig werk te kunnen doen vertrok ik op 21 oktober met de intussen zo goed mogelijk geklede en opgeleide mensen.

Spoedig bleek dat er niet voldoende waren voor afdoende bewaking en kwamen er een aantal bij. Inmiddels waren de minder juiste toestanden te Eindhoven uitgegroeid, mij kennende kwamen de rapporten te Brussel alsook bij mij thuis te Eindhoven binnenstromen. In een persoonlijk rapport en een rapport van Dr. J. Custers en mij werd dit onder de welwillende aandacht gebracht van Zijne Koninklijke Hoogheid. Eveneens een rapport van en over de Stoottroepen. Dat al deze rapporten gefundeerd waren is heden gebleken. Direct na mijn aankomst te Brussel had ik verzocht geen schietoefeningen meer te houden, zonder eerst de wacht te waarschuwen. De heftige ruzie met King Kong, waar blijkbaar iedereen bang voor was, deed mij deze wantrouwen. De door mij 's ochtends als camouflage aangemerkte doorschieting van zijn auto was ook juist. Het zenden van een groep ter aflossing, die niet beter aan te merken waren als rekruten, bracht moeilijkheden. Een onderhoud met Zijne Koninklijke Hoogheid, waarin Zijne Koninklijke Hoogheid mij naar mijn persoonlijke belevenissen vroeg, werd voortijdig onderbroken, doordat een van deze rekruten zijn hele stengun leegschoot op vermoedelijk een schim. Door het verplaatsen van het Stafkwartier van Zijne Koninklijke Hoogheid naar Breda, waar inmiddels een ander commandant was, was de persoonlijke bewaking van Zijne Koninklijke Hoogheid niet meer noodzakelijk te Brussel. Dit deed mij besluiten mijn verzoek tot eervol ontslag in mijn functie als wachtcommandant te verzoeken. Zulks in overleg met de Commandant Zuid der Stoottroepen Peter. Ik zou echter lid der Stoottroepen blijven en mijn krachten daaraan verder geven. Dit was de theorie, in praktijk is er echter niets van gekomen. Het voert mij te ver, om alle besprekingen en brieven hierover gevoerd en geschreven, aan te halen. Het tijdelijke eind van het lied was, dat ik een brief kreeg van de toenmalige waarnemend commandant Brabant, "Dat hij van mijn diensten geen gebruik kon maken". Dit was Giel Bensen. De latere toestemming verkregen via de Staf van Zijne Koninklijke Hoogheid te Apeldoorn om de test voor officier bij de Stoottroepen te volgen liep eveneens op niets uit, de redenen hiervoor zijn nimmer aan mij bekend gemaakt.

De factor die in de morele kant van deze beschrijving ligt opgesloten, is ook van zeer veel belang. Oprecht, zonder voordeel te zoeken voor mij zelf, heb ik het verzet in Eindhoven mede helpen inbouwen. Mij wel bewust welk gevaar ik persoonlijk, maar ook mijn huisgezin, hiermee liep. De idealen, door mij aan de jongeren voorgehouden, waren steeds nuchter, praktisch en zonder overdrijving. Dat er fouten zouden insluipen in de “nabevrijdingsperiode” wisten wij allen. Dat dit echter zo een omvang zou aannemen, had niemand en ik in het minst, verwacht. Dat heeft bij mij tot een desillusie geleid, welke bijna tot overspanning van mij leidde. De algemene toestand, gevoegd bij de geweldige baantjesjagerij van lieden die in het gunstige geval ondergedoken waren geweest en nu meestal op een unfaire wijze zich overal indrongen, waren de oorzaak dat al de goede jonge vaderlanders zich al spoedig bekocht voelden en het ook dikwijls waren. De goede geest voor elkaar met elkaar en ook voor de gewone jongens opkomen, was niet alleen vergeten. Er werd misbruik gemaakt ten koste van dezen. Het was voor mij zeer eenvoudig geweest, een goede baan te veroveren, maar het vestigen van de aandacht hierop gaven mij spoedig de naam van kankeraar en het plaatsen van personen op posten waar ze niet thuis hoorden deed de rest. De goede bedoelingen, welke er ontegenzeggelijk waren, gingen dikwijls verloren, daar het sterke benen zijn die de weelde kunnen dragen en men dikwijls geen gehoor gaf aan diegenen die bekend waren met plaatselijke toestanden en personen. Het buitensluiten van mij voel ik nog steeds als een geweldige aantasting van mijn eer. Ik zal hiermee dan ook nooit genoegen nemen. Temeer daar er natuurlijk wel weer eens gelasterd zal zijn. Het onderlinge gekrakeel en “illegaaltje” spelen om er elkaar uit te drukken, waren een verschrikking voor mij. Immers als oud marechaussee heb ik steeds de zelf aanvaarde discipline geëerbiedigd, al heb ik nimmer geschroomd om als goed leider voor de belangen van de mijnen op te komen en nog zal komen. Ik heb mijn steentje bijgedragen aan het verzet, ook aan de opbouw wil ik mij wijden. Nimmer is door mij om beloning gevraagd, doch een dergelijke krenking van mijn eer wil ik hersteld zien. En zal hiervoor ook blijven vechten.

Eindhoven, 26 Februari 1946.

J.Hermans.

PAN Strijp

P.A.N. Strijp Eindhoven. Jacques met al zijn vrienden en strijdmakkers. Jacques Hermans staat aan de rechterkant met helm en drie strepen op zijn P.A.N. overall.
De oorlog was voorbij.
"Ik heb mijn steentje bijgedragen aan het verzet, ook aan de opbouw wil ik mij wijden. Nimmer is door mij om beloning gevraagd, doch een dergelijke krenking van mijn eer wil ik hersteld zien. En zal hiervoor 'ook blijven vechten." sluit hij zijn levensverhaal af.


Brief Maxwell D. Taylor

Bijstand van de Nederlandse Ondergrondse gedurende operaties in Nederland. September-December 1944.

Major Generaal bedankt verzet en P.A.N.

Door het werk van de ondergrondse verzetsgroepen in Holland werd wezenlijke bijstand verleend aan de acties van de 101e Airborne Divisie bij het bevrijden van steden als Eindhoven, Son, St. Oedenrode, Veghel e.o. Zonder deze bijstand zouden de gevechten meer mensenlevens en tijd hebben gekost.

Vooral op het gebied van inlichtingen leverden deze sterke patriotten hun beste werk. Ze informeerden ons tijdig over alle Duitse troepen bewegingen, zodat de 101e Airborne Divisie nooit verrast werd door een vijandige aanval.

De loyale ondersteuning van onze troepen door de verzetsgroepen, zorgde voor een gevoel van vriendschap dat altijd in het geheugen van de Airborne soldaten gegrifd zal blijven.

Vooral soldaten die neerkwamen in vijandig gebied, ver van de US troepen, zijn dank verschuldigd aan de Nederlandse Ondergrondse voor hun veiligheid en welzijn, gedurende de risicovolle dagen dat zij moesten wachten op de komst van eigen eenheden. 

"De P.A.N., gezien door Jacques" en "Mijn aandeel".

Jacques Hermans bereidt zijn Levensbeschrijving voor met documenten als: "De P.A.N., gezien door Jacques" en "Mijn aandeel".

Daarin lezen we bovenstaand verhaal over zijn leven en ook :  

Verkenningstochten werden steeds door gezang van Tom opgevrolijkt met "Het schone lied", "De meid van de Bakker", "De rovers in hun vak bekwaam" en "Zie ginds komt de stoomboot uit Engeland weer terug".

De durf door Greetje Kelder en later ook door Loek vertoond, kon menig jongeman tot voorbeeld dienen. Op een gegeven ogenblik was zij de enige schakel tussen ons, aangevuld met een enkele noodzakelijke bespreking op een of andere afgelegen plaats. 

Begin 1944 bestonden er nog geen daadwerkelijke sabotage groepen. 

Theo, Frits, Tom en Jan kregen toen contact met Frank, later Peter. 

Het sabotage werk werd in de omgeving van Eindhoven uitsluitend door de K.P. verricht, te weten Jan, Jo, Tom, Wim en Leo. Frits had nog een buitengroep, terwijl Sander met ons alsook met zijn andere groep werkte. 

Het overgrote deel van het te gebruiken materiaal werd voor gebruik gereed, bij mij opgeborgen. Reinigingsmiddel (brandpakketten) werd eerst via de R.V.V. betrokken. We kregen het later rechtstreeks van Verbruggen. 

De R.V.V.-pinnen om met zuur telefoonkabels onklaar te maken werden na proeven niet meer gebruikt. Langzaam werd het voor mannelijke koeriers zeer gevaarlijk en werden vrouwelijke koeriers ingezet. 

Het geheel was omstreeks 10 september als volgt:

Strijp, 200 man, 9 karabijnen, 5 pistolen, 2 mitrailleurs, 500 handgranaten. R.C. waren hier Eb, Willy, de Ruyter, Theres en Ley.

Woensel, 40 man, 10 karabijnen, 1 mitrailleur. R.C. James, hierbij waren ook mannen van de Ruyter. 

Gestel, 25 man zonder wapens.

Tongelre, 20 man, 2 pistolen. Henk had dit pas enige dagen tevoren op mijn advies, opgericht. 

Stratum, 30 man, 4 karabijnen, 10 pistolen, onder Jan, later naar R.A.F.

Drè had nog 30 man, maar dit was marechausse, die zonder Drè werkte.

Centrum zou worden opgenomen door Ome Jan met 30 man, 12 karabijnen, 7 pistolen. Dit was ook een groep uit Strijp.

De Staf P.A.N. bestond uit Frits, Eddie en mij. Drè voornamelijk omdat in Stratum al een goed leider zat en Jan van der Harten werd op mijn advies aangezocht. De taak van Eddie was hoofdzakelijk contacten en verbindingen. De vernielingen konden, doordat er geen wapens beschikbaar waren, later niet worden tegengegaan. Contact met Ph. om de daar aanwezige wapens ter beschikking te krijgen, liep op niets uit. 

Er staat dus dat de P.A.N. in Eindhoven begin september 1944 uit ca. 375 man bestond. Die hadden (slechts) de beschikking over 35 karabijnen, 24 pistolen en 3 mitrailleurs. Afgezien van de handgranaten was ongeveer een op de zes partizanen bewapend.   



 Jacques Hermans en Mien Hermans-Camps foto circa 1960-1965

Mobirise

Overlijden Jacques Hermans op de nacht van 14/15 februari 1966.
Bericht Eindhovens Dagblad 16-02-1966
Hieronder Eindhovensdagblad  19-09-1954 /18-09-1954