Hilda Verwey-Jonker

De Eindhovense oorlogsperiode





Hilda Verwey-Jonker

Over Hilda's idealen, werk en activiteiten is veel geschreven. Hier vertellen we het verhaal over haar verzet in de oorlogsjaren in Eindhoven.
Een aantal nieuwe feiten, diverse bronnen o.a.:
 Proefschrift Drift en koers van Margit van der Steen (2011) en B&W Frans Dekkers (1992)

Geboren - overleden

Goes, 20 mei 1908
Utrecht, 23 juni 2004
Eindhoven 1934 - 1968
Lid SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij), vanaf 1927 en levenslang PvdA lid

Getrouwd met

Evert Johannes Willem Verwey (Amsterdam, 30 april 1905 - Utrecht, 13 februari 1981)

Dommelhuis bewoner

"een vrouw die zoveel voor ons allemaal heeft gedaan dat het niet in woorden kan worden uitgedrukt " spraak de 19 jarige jongen in 1939, toen joodse vluchteling en later emeritus-hoogleraar prof. dr E.H. (Dan) Kampelmacher

Al vanaf 1931 waarschuwde ze voor het gevaar van fascisme

Hilda Verwey—Jonker : Vrouwen, wij roepen u'. Strijdt met ons, sociaal democraten, voor vrede en vrijheid, tegen slaafsheid en fascisme. Het volk 14-11-1936

Hilda Verwey-Jonker is in 1934 in Eindhoven komen wonen, haar man trad toen in dienst van het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven. Beide kwamen uit een sociaal democratisch gezin.
Zowel Evert Verwey als Hilda geloofden in het socialisme, hetgeen ze van hun  ouders hebben meegekregen. Het is een sociale opstelling ten aanzien van de medemens die nog versterkt en verdiept werd door de ervaringen in de crisistijd van de dertiger jaren en tijdens de tweede wereldoorlog en daarna. 

Hilda ontmoet op 19-jarige leeftijd Evert Verwey. Ze zijn samen aanwezig op het 5e congres van Sociaal-Democratische Studentenclubs. Die in het kamphuis van de A. J. C. op de Paasheuvel te Vierhouten werd gehouden. Beide geven zich op voor de redactie van het blad Kentering : maandblad van den Bond van Sociaal-Democratische Studentenclubs. Het is dan april 1928. 
Ze trouwen op 9 juli 1930 en ze kregen vier kinderen: twee zoons en 2 dochters.
Hilda volgt na haar HBS, een universitaire studie Nederlands recht in Leiden van 1926 tot 1928, haalt haar kandidaats, maar kiest dan van 1929 tot 1934 voor een totaal nieuwe studie: sociologie in Amsterdam. Ze zal als eerste vrouw afstuderen in de sociologie. Daarna zal ze nog vele malen een weg banen voor andere vrouwen. Evert studeerde in Amsterdam af in de scheikunde.
Zie hieronder voor de diverse biografieën over hun levens.

Voor een getrouwde vrouw is alleen de politiek en wetenschappelijk onderzoek als baan geaccepteerd. 

In 1934 komt het gezin Verwey in Eindhoven, ze wordt direct actief bij de plaatselijke SDAP. Op 3 september 1935 benoemd als enige vrouw in de Eindhovense gemeenteraad, niet als eerste. De gemeenteraad en college worden totaal bestuurd door een katholieke machtspositie. De Rooms-Katholieke Staatspartij heeft met 24 zetels, 61 % van de stemmen en daarmee de absolute macht. Alle voorstellen van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) met 18% van de stemmen en slechts 6 zetels werden afgewezen. "Een voorstel van Verwey-Jonker om de gemeente in 1935 te laten investeren in de bouw van arbeiders- woningen was kansloos. Zeer frustrerend was haar oordeel. Na vier jaar is ze weer herkozen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 14 juni 1939 echter tot 1 september 1941. Een verordening die op 12 augustus 1941 op last van Rijkscommissaris Seyss-Inquart gepubliceerd werd, schafte vervolgens de gemeenteraden en de provinciale staten af, alsmede alle gemeentelijke en provinciale commissies. Dat hield tegelijkertijd in dat voortaan geen verkiezingen meer nodig zouden zijn. De wethouders in de gemeenten mochten onder die naam in functie blijven, maar dan uitsluitend als medewerkers van de burgemeester. In Eindhoven werd op 1 februari 1942 de N.S.B. Burgermeester dr.  H.A. Pulles aangesteld, een vee-arts die ook werkzaam was bij slachthuis. Paar maanden later werden ook de wethouders vervangen voor NSB-ers.

Inmiddels had Hilda wel een breed netwerk in Eindhoven opgebouwd. "In Eindhoven leerde ze dat zaken ook informeel en in achterkamertjes te regelen waren. Dat contrasteerde met de stijl in de SDAP die in de jaren dertig meer op open confrontaties was gericht. Zo leerde Hilda Verwey-Jonker van de katholieken dat het soms effectiever was verschillen te overbruggen in plaats van aan te scherpen. Het was een ervaring die haar later goed van pas zou komen." aldus proefschrift van Margit van der Steen: Drift en koers, De levens van Hilda Verwey-Jonker (1908-2004).

In haar verzet tegen het opkomende fascisme was ze al veel eerder actief, eerst door middel van publicaties of radiopraatjes voor de VARA. In 1939 start haar praktische hulp bij ondersteuning van vluchtingen uit vooral Duitsland en Oostenrijk. 

Hilda Verwey: "Ik moet eerlijk zeggen, dat ik in het begin helemaal het verschil niet wist tussen politieke vluchtelingen en joodse vluchtelingen. De anti-joodse houding van Hitler was nog niet zo sterk, hij richtte zich eerder tegen socialisten en communisten. Wij hadden dus aanvankelijk vooral te maken met politieke vluchtelingen en daar zal best eens een jood tussen gezeten hebben, maar dat wist je gewoon niet. In het begin waren er gewoon immigranten, joden en niet-joden”.

In Eindhoven was er een netwerk dat sinds 1933 politieke vluchtingen opving. Martha Soboll, zelf Duitse, was betrokken bij de Nederlandse Rode hulp. In haar huis was een doorgangswoning voor vluchtingen. [ hierover komt een ander verhaal]


Zo'n honderd jongens en 12 stafleden voor het Dommelhuis in Eindhoven
In het midden zit Hilda Verwey—Jonker
"Van de ongeveer tweehonderd jongens die in het Dommelhuis hebben gezeten zijn er ongeveer honderd voor het uitbreken van de oorlog naar veiliger oorden verder gereisd. Van de resterende honderd is ongeveer de helft omgekomen," zegt Verwey-Jonker in 1988 in haar verschenen autobiografie.

Dommelhuis

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verleende de Engelse regering aan tienduizend joodse kinderen uit Duitsland, Oostenrijk en het bezette deel van Tsjechoslowakije een inreisvisum. Om hen weg te halen werden de 'Kindertransporte' georganiseerd. De meesten van de kinderen reisden rechtstreeks naar Engeland. Hun verblijf in een van de vijftig Nederlandse op vanghuizen was soms beperkte zich tot de duur van de doorreis maar duurde soms langer. Sommige hadden de pech om in Westerbork terecht te komen dat in eerste instantie in 1939 een vluchtelingenkamp was, na de Duitse bezetting overging in een doorgangs- of gevangenkamp. In het voorjaar 1940 werd het steeds moeilijker Engeland binnen te komen en na de Duitse inval was dit helemaal onmogelijk. 

In het Eindhovense Dommelhuis konden de kinderen wel blijven. De eerste vluchtelingenkinderen kwamen hier op 4 januari 1939 aan. Het waren allemaal jongens. Er waren 150 bedden beschikbaar. Op 1 maart 1940 werd de opvang gesloten: alle jongens gingen toen naar de Westersingel in Rotterdam.

De Phillips directiesecretaresse Laura Marks nam het initiatief om deze Joodse jongens op te vangen en regelde bij Philips het op dat moment leegstaande Dommelhuis. Hilda Verwey-Jonker, gemeenteraadslid SDAP sloot zich onmiddellijk aan toen er een Eindhovense afdeling van het landelijke Kindercomité werd opgericht.

Het gebouw zelf was in de jaren twintig door Philips gebouwd voor de huisvesting van ongehuwde mannelijke werknemers. Door de economische crisis in de jaren 30 leeg komen staan en in 1935 tijdelijk gebruikt voor opvang van Spaanse burgeroorlog vluchtingen.
Het werd door Philips voor de symbolische prijs van één gulden verhuurd aan het plaatselijke Kindercomité in Eindhoven dat in contact stond met het landelijke comité in Amsterdam.
De Philipskantine zorgde voor de warme maaltijden voor de ruim tweehonderd jongens - tussen de twaalf en achttien jaar - die vanaf 4 januari 1939 en februari 1940 voor langere of kortere tijd in het Dommelhuis opgevangen werden. Er waren 150 slaapplaatsen, de stapelbedden en ander meubilair, die werden door het ministerie van Defensie geleverd.

Het bestuur bestond o.a. uit : Voorzitter Mr. J. J. A. van der Putt (Merellaan 16, voorheen 10-c), secretaris Hilda Verwey-Jonker (Leenderweg 194). Penningmeester de heer M.A. Adolfs (Dommelstraat 7). De echtgenote van Van der Putt was leidster van het Hulpcomité voor Joodsche kinderen te Eindhoven. Aangetrokken per advertentie waren de heer Van Bunschot, door de jongens „Hauptmann" genoemd en mej. Peeks als leidster van de huishouding. Het huis komt onder directie van mejuffrouw Bijvoet, een onderwijzeres, te staan.
Verder waren betrokken de voorzitter van de Joodsche Gemeente: Abraham Noach en zijn vrouw en Rabbijn L. Frank.
Vanuit orthodox-joodse organisaties was er kritiek, die het huis "niet joods genoeg” vonden en dat soms ook niet Joodse jongens werden toegelaten. Dit heeft mede bijgedragen aan de sluiting van de opvang van het Dommelhuis in maart 1940.
Maar tegenstand heeft Hilda haar hele leven overwonnen.

Dommelhuis, Jonckbloetlaan 13 Eindhoven 1939

Werving met woonadres Hilda Verwey-Jonker

Het leven in het Dommelhuis


Hilda Verwey, vertelt later over de start van het Dommelhuis: “Nou, sommigen waren trouwens ook wel boos als ze aankwamen, omdat ze meteen naar het Sportfondsenbad moesten. Dat had een of andere gemeenteambtenaar bedacht. Die kinderen waren boos, omdat we dachten dat ze zo vuil zouden zijn. Overigens was dat eerste transport een grote bende, omdat niemand ons verteld had dat er alleen maar jongens zouden komen. Wij hadden gedacht aan kleine kinderen; we hadden zelfs allemaal van die kinderbedjes. Maar er kwamen allemaal grote jongens tussen de 13 en 18. Alleen maar jongens, terwijl we twee aparte afdelingen hadden ingericht! En ja, het eerste wat je dan bij zo'n groep nodig hebt is mannelijke leiding hè. Dus toen kregen we een werkloze gymnastiekleraar, een padvinder, de ‘hopman'. Zo kwam er toch een beetje een mannelijk element in, want verder waren er een vrouwelijke directrice en vrouwelijke leidsters. Later kwam nog wel Jaap Meyer, die was door de Joodse Raad gestuurd omdat we niet joods genoeg waren. Ons comité had maar twee joodse leden, meneer en mevrouw Noach, maar die brachten het echte joodse element er ook niet in. We hebben in het begin wat dat betreft ook wel fouten gemaakt. Wat wist ik nou van koosjer eten? Pas later werd dat goed geregeld, het koosjere eten. Hoewel lang niet alle jongens van huis uit gewend waren om koosjer te eten.” Bron: Vluchtelingenkamp Westerbork, hoofdstuk Dommelhuis.

Hieronder een aantal belevingen van jongens die in het Dommelhuis hebben gewoond. Deze verhalen komen van de Engelse website www.dokin.nl Dokin staat voor: Duitse Oorlogskinderen In Nederland (German War Children in the Netherlands). Hier vind je meer informatie over de joodse vluchtelingenkinderen uit het Derde Rijk die na de Kristallnacht naar zo'n vijftig Nederlandse opvanghuizen zijn gekomen.

Arno Rosenfeld vertelt later: “Toen we werden schoongeschrobd, werden we naar het Dommelhuis gebracht. Het verblijf werd gebouwd als pension en had veel kleine kamers, slaapkamers en een grote eetzaal. De slaapkamers hadden legerbedden, vier legerbedden, twee op elkaar, met strozakken om op te slapen. Het was echt voorbereid voor een zeer utilitair legertype. We sliepen op strozakken, twee hoog, vier in een kamer. We zijn er aan gewend geraakt. Als je jong bent, neem je het zoals het is. Het was niet zo comfortabel als thuis, maar het zou er niet toe hebben gedaan als we klaagden. Het was even schrikken, maar het liet niet veel indruk achter. Het was natuurlijk nogal Spartaans, maar men is jong, men neemt de dingen zoals ze komen. Sommige kinderen klaagden en protesteerden, maar wij niet. Ze leerden ons bedden op te maken in legerstijl: de dekens moesten opgevouwen worden ……. Het eten was veel meer een reden tot klagen en ontevredenheid. Het was heel eenvoudig, het was eigenlijk voedsel zoals het aan de werklozen werd geleverd. Het allermooiste eenvoudig voedsel. We waren gewend aan lekker eten en een zekere mate van luxe. Het was niet koosjer. We aten thuis geen koosjer eten. Ik kan me niet herinneren dat ik varkensvlees heb gekregen. Maar we kregen wel paardenvlees. Het was vettig en vet. Het eten was erg slecht ”. 

Fred Schwarz zegt hierover: “We eten aan lange tafels met banken. Links in de eetkamer staan ​​een paar tafels waar koosjer eten wordt geserveerd. Dat komt van de instelling in Woensel. [Het koosjere eten kwam uit de keuken van het Rijks-Krankzinnigengesticht.] Een van de jongens en een van de conciërges gaan elke dag op een bakfiets om het eten op te halen. Wij, het merendeel, staan ​​aan de andere kant van de eetzaal en krijgen eten uit de Philips-keuken. 

Hajo Meijer schreef, als 14 jarige, op 18 juli 1939 aan zijn ouders: "We staan ​​om 6 uur op. Elke ochtend zijn we om de beurt verantwoordelijk voor de kamer, dus wiens beurt het is, moet zich haasten om zich aan te kleden en zich te wassen, het bed op te maken en dan de vloeren te vegen en dweilen. Dan is er de inspectie, wat betekent dat er iemand langskomt om te controleren of alles in orde is. Het is oké om nog niet klaar te zijn met aankleden, maar de kamer moet er perfect uitzien. Dan is het tijd voor het ontbijt. Koffie en brood. Om kwart over 8 gaan we naar de winkel en werken tot het middaguur. Rond 12.30 uur is er lunch. Meestal is het best goed. In de namiddag hebben we lessen in ... Engels. Ik besloot zelf een beetje te studeren uit het boek '1000 woorden in het Engels', aangezien ik bijna alles vergeten ben. Diner om 18.00 uur en lichten uit om 22.00 uur. Vrijdag's gaan we 2 uur zwemmen."
Hajo 1924-2014, overleefd Auschwitz dankzij zijn opleiding machinebankwerker tijdens zijn verblijf in het Dommelhuis. Na de oorlog keerde Hajo Meyer terug naar Nederland en ging hij theoretische natuurkunde studeren. Hij ging werken bij Philips en werd uiteindelijk in 1974 directeur van het Philips Natuurkundig Laboratorium (NatLab) Korte film te zien bij wikipedia en hij schreef een boek zijn oorlogsperiode: ‘Briefe eines Flüchtlings: ‘Briefe eines Flüchtlings 1939 – 1945’, ISBN 978-3-86596-538-7. 1939 – 1945’, ISBN 978-3-86596-538-7.


Jongens die ijs kopen voor het Dommelhuis, met dank aan Hajo Meyer
ijsverkoper Sint Joseph
Roomijs 3,5 of 10 cent -consumptieijs 3 of 5 cent
foto zomer 1939 www.dokin.nl 

Unser Dommelhuis 

De jongens waren actief op allerlei terreinen en gaven ook een tijdschrift uit.
Deze Duitstalige versie is bij www.dokin.nl vertaald in het Engels. De Nederlandse PDF versie is hier te downloaden of als docx . Helaas is tot nu toe alleen het laatste nummer (nr. 12) bewaard.

Nr 12 februari 1940

Uitgebreid verslag en overzicht van komende en vertrekkende jongens in het Dommelhuis. Verslag Hilda-Verwey-Jonker.
Mr. J. van de Putt schrijft een afscheid

Unser Dommelhuis Hans Cohn

George Frankel, wiens vader Alfred tussen februari en december 1939 in het Dommelhuis verbleef, stuurde nr.12 Unser Dommelhuis-nieuwsbrief. Alexia Gültlingen heeft Duitse versie vertaald, in het Engels.  Hier is de Nederlandse versie

unser dommelhuis

Afscheidsavond 23 -2-1940
Een feestelijke avond met veel genodigden en nog een klein groepje jongens.
Namens de jongens sprak de 19 jarige Erwin (Dan) Kampelmacher, het openingswoord. „Wij gaan het Dommelhuis verlaten", zo zei hij: „Het gebouw zal blijven staan en de Dommel zal blijven stromen, maar wij zullen in alle richtingen uiteengaan naar een onzekere toekomst". Hij bedankte iedereen die met steun geholpen hadden, hun zielsevenwicht te hervinden, aan het comité en het personeel en speciaal aan mevr. Drs. Verwey; zij allen hadden samengewerkt om het verblijf van de jongens in Eindhoven zo te maken, dat hij hier terecht het woord uit Goethe's Faust mocht aanhalen: „Hier bin ich mensch hier darf ich sein". [Hier ben ik een mens, hier mag ik zijn].

Over Hilda zegt hij: "een vrouw die zoveel voor ons allemaal heeft gedaan dat het niet in woorden kan worden uitgedrukt ". Hij was toen joodse vluchteling en 1971 emeritus-hoogleraar prof. dr E.H. (Dan) Kampelmacher in Wageningen en hij heeft een belangrijke rol in het salmonella-onderzoek gehad.  Hij spraak ook op haar begrafenis op 30 juni 2004.

Hij schrijft diverse boeken o.a. Gevecht om te overleven - Mijn diaspora na de Anschluss.

Zowel Eindhovensche en Meierijsche courant als Nieuw Israelietisch weekblad schrijven een verslag van de avond.


Dommelhuis voor 1939

Dit pand is in 1930/31 gebouwd voor huisvesting van jonge, ongehuwde, mannelijke Philips-beambten, dit soort gebouwen worden ook wel gezellenhuizen genoemd. Opdrachtgever was Woningbouwvereniging "Thuis Best". Architect: A. Ingwersen.
Gebouw heeft kenmerken van de Amsterdamse School.
Het gebouw is sinds 2002 een Rijksmonument

Omstreeks 1935 stond het pand geruime tijd leeg, er zijn in die periode, tijdens de Spaanse burgeroorlog, vele Spaanse vluchtelingen opgevangen.

 Van januari 1939 tot maart 1940  opvang van Joodse vluchtelingenkinderen (zie verhaal hierboven).

Dommelhuis na 1940:

In 1940 werd het gebouw gevorderd door de Duitse bezetter, die er piloten in legerde. De Duitse vliegeniers waren op die op Fliegerhorst Eindhoven (Welschap) gestationeerd. Verder diverse stafafdelingen en hun telefooncentrale. Daarnaast woonden er toen nog een 20 tal "Bund Deutscher Mädel”, kortweg BDM voor administratief werkt. In de oorlog kregen zij de bijnaam van “Bond van Duitse matrassen”. 

Na de bevrijding op 18 september 1944, werd het gebouw gevorderd door de Royal Air Force. De Engelse piloten sliepen daar nu.

In 1946 werd het pand als pension in gebruik genomen, onder de naam Dommelzicht. Veel woningnood door de verwoestingen in de oorlog.

Nadat het in 1952 een nieuwe huurder had gekregen, werd het opgeknapt en voor een deel als hotel ingericht, onder de naam: Hotel Pension Dommelhuis en later hotel-restaurant De Dommel.

In 1964 werd het Dommelhotel genoemd, een naam die het tot in 1985 behield. Na de sluiting van het hotel kreeg het pand weer de naam Dommelhuis en werd er het Philips Intelligence Institute in gevestigd, het vertaalbureau van Philips (H-008). Dit in de periode van 1985 tot 1991.
Nadat dit Philips instituut vertrokken was, stond het gebouw anderhalf jaar leeg.

Periode 1992 -2006 kantoorruimte voor Korteweg Communicatie. Vanaf die periode heet het gebouw Dommelsteyn.

Na 2006 huist er een Luzac-lyceum in, tot 2014?.

In 2015 wordt het complex verkocht en omgebouwd in 2016 tot 16 woonappartementen, met een statige entree met toegang tot kleine appartementen, 30m² of 45m². Deze zijn te huur voor zo'n € 980 /1150 per maand te huur.
De huidige naam is:  Residence Dommelsteyn.

Foto Google streetview 2016
Bron deels: http://www.eindhoven-encyclopedie.nl/index.php/Dommelsteyn

De Nederlandse Unie

Hilda Verwey-Jonker wordt, samen met Evert, lid van de Nederlandse Unie.
Zij treedt tot de Plaatselijke Raad van de Unie. Bijna de helft van het bestuur is later op een of andere manier betrokken bij het Eindhovens verzet. 
Bron: document archief ©Frans Dekkers

Plaatselijke Raad

J.Daamen (Philips /verzet)
B. Diesbergen (Philips /verzet) 
J. Ligtvoet
G. Philippart (Philips) 
Mr. J. v.d.Putt (verzet)
Fr. Schellens
Ir. M. Spies (Philips)
Mevr. H. en E. Verweij (Philips / Verzet)

Secr en Propaganda

Drs F.Gijzels (verzet)
Drs E. Gianotten (Philips)
H. Mollen
Th. Panken (Verzet)
J.v.d.Tooren
B. Veth

Meer dan 5000 Eindhovenaren bij 1e bijeenkomst

In Eindhoven was in oktober 1940 ongeveer een op de elf inwoners lid van de Unie; de plaatselijke afdeling telde ruim 10.000 leden. Op het hoogtepunt, in juli 1941, ontving ruim een op de vier Eindhovense huishoudens het Unie-weekblad.

Voor Jacques Hermans

De unie was voor Jacques Hermans aanleiding om in het verzet te gaan. Ook Rijckaert en  Johnie Daamen uit Strijp zie we later op de P.A.N. ledenlijst.

Van Unie naar verzet

Mr. J. v.d. Putt  voorzitter van het Dommelhuis, zie we hier weer terug als bestuurslid in de Eindhovense  Afdeling van de Unie Ook veel mensen die bij Philips werken of bij het later verzet betrokken zijn.

Evert Verwey zei onomwonden dat het blad van de Unie ‘ontzettend gezwam’ was dat zo geschreven moest worden ‘dat het nog net door de Duitsers geaccepteerd werd’. De Eindhovense afdeling probeerde de diepe kloven op politiek en godsdienstig gebied te overbruggen. Dit duurde niet lang want al snel domineerden de ‘Philips-mensen’ waardoor ‘national-socialisten’ werden afgestoten. Drift en koers pagina 154.

"Ja", zegt Jacques Hermans "het eerste verzet was door de Unie, toen de N.S.B. en W.A. "de straat" wilde veroveren. Dit leidde tot een schietpartij op Schippershof. De Nederlanders weerden zich met schoppen etc. De ruiten (zie foto Schippershof 12) waarachter een Unie plaat hing bij L.A. Gussenhoven (oom Gus) werden ingeslagen. Ik was er bij en maande tot rust en afwachten. Na de opheffing van de Unie, wilden wij deze door laten bestaan op illegale wijze". De kern van het verzet, het latere P.A.N. werd toen gevormd. Jacques vertelt nog: " "Johnie  Daamen  nam het wijkleiderschap van de L.O. op zich, zodat ik verder geheel voor de P.A.N. kon werken".

In Eindhoven was het enthousiasme voor de Unie van korte duur. De Eindhovense afdeling stelde zich al snel onafhankelijk op van de centrale leiding. De stichting van een ‘instituut voor werkende leden’ dat joden uitsloot, wekte weerstand. Langzaam maar zeker verdween de Eindhovense Unie uit beeld en langzaam kwam de organisatie het verzet op gang.
December 1941 verbiedt de Duitse bezetter de Unie. [PDF
scriptie over de Unie]


Zaterdag 10 Augustus 1940 om 19.00 uur op het fabrieksterrein van de Fa. Mignot & de Block.
werd een grote vergadering gehouden van de Nederlandsche Unie. Bezocht door ongeveer 5000 personen. Op deze bijeenkomst sprak mr J. Linthort Homan en Prof. dr. J. E. de Quay 
 In de pauze werd door Kommer Klein een nieuw Nederlands  lied van Anton van Duinkerken gedeclameerd. De vergadering werd besloten met het zingen van „Mijn Nederland".
Eindhovensche en Meierijsche courant 12-08-1940

Verzet in de oorlog

Zelf vond ze dat ze te weinig had gedaan. Maar ze was wel de schakel tussen de verschillende mensen en verzetsgroepen, regelde persoonsbewijzen, bonnen en onderduikadressen. 
Vele keken toe maar zij niet...

Tot een van de eerste kleine plaatselijke verzetskernen in Eindhoven behoort mevrouw Hilda Verwey-Jonker: 'Samen met mijn man Evert Verwey maakte ik deel uit van een verzetsgroep die vanuit het Natuurkundig Laboratorium van Philips werd geleid door ing. P. H.K. G. Cornelius, een naaste medewerker van mijn man. Ik rolde er bij toeval in. Omdat ik goed bekend was op het stadhuis vroeg Cornelius me om er een gemeentestempel te stelen. Die had de groep nodig voor het vervalsen van identiteitsbewijzen. Ik bleek een slechte dievegge te zijn. Toen ik met het stempel het stadhuis uitliep, werd ik teruggeroepen door een jonge ambtenaar. Ik dacht dat mijn hart het begaf. Die knaap had het gezien, maar bleek gelukkig niet fout te zijn. Sterker nog, hij zei: “Zonder een speciale inktsoort kunt U niets met het stempel doen.” Hij haalde daarvan een hele fles uit het magazijn.
We hielpen in het begin vooral leden van de vakbeweging NVV, die na de Duitse inval bedankt hadden. Als die in moeilijkheden kwamen en moesten onderduiken regelden we alles voor hen: onderduikadressen, vervalste identiteitsbewijzen, bonkaarten en geld. Dat laatste werd ons door het hoofd van Sociale Zaken van Philips, Arie Voorwinde, verstrekt. Als ik bij hem kwam vroeg hij alleen maar: 'hoeveel heeft U nodig?”. En dat waren geen kleine bedragen hoor! Dan trok Arie een lade open en gaf me een pakje bankjes van duizend gulden. Dat Philips veel aan de oorlogsindustrie heeft verdiend, staat vast. Maar aan de andere kant gaven ze heel veel geld uit aan de illegaliteit.
Later hielpen we ook joden en iedereen die hulp nodig had. Het was vreselijk moeilijk om vooral voor joden onderduikadressen te vinden. Men was bang om ze in huis op te nemen. Soms lukte het met veel moeite. Zo wist ik een joods gezin bij een familie in de Stokroosstraat onder te brengen, en een joods meisje bij een belangrijk onderduikadres voor geallieerde piloten aan de Nicolaas Beetsstraat 41. Daar woonde M. C. (Rien) van Bruggen, een collega van mijn man. In het begin wisten we niet dit adres zo belangrijk was, er dus ook een verhoogd risico voor ontdekking bestond. Toen we dat wisten hebben we dat joodse meisje direct elders ondergebracht. Gelukkig maar, want korte tijd later is Rien van Bruggen als gevolg van verraad gearresteerd en later gefusilleerd.

Er zijn in die tijd ook veel ondergedoken joden verraden, niet alleen door NSB-ers, maar ook vanwege ordinaire burenruzies. Ondanks alles hebben we veel mensen uit handen van de Duitsers kunnen redden.'

Medewerking krijgt de groep op het stadhuis van J. J. van de Spank, een ambtenaar van de afdeling Bevolking. Mevrouw Verwey-Jonker: 'In de eerste oorlogsjaren werkte ik aan een proefschrift over lage inkomens, waarvoor ik gegevens uit het bevolkingsregister nodig had. Van Elk [ loco-secretaris Van Elk en fel tegenstander van de NSB ] regelde dat. Zodoende kreeg ik toegang tot het bevolkingsregister, wat voor onze verzetsgroep natuurlijk een lot uit de loterij was. Met hulp van J.J. van de Spank heb ik dan ook alle mogelijkheden benut. Zo wisten we vooral joodse kinderen veilig te stellen. Die werden als kind op een bestaande persoonskaart bijgeschreven. Helemaal waterdicht was dit systeem niet, maar we hebben er gelukkig nooit problemen mee gehad. Ook niet met het lichten van kaarten. [lees hieronder verder]

Uit boek Frans dekkers B&W: rond de tweede wereldoorlog in Groot-Eindhoven, uitg. 1992 

isbn 906265363

Ironisch genoeg wel na de oorlog, toen burgemeester Verdijk weer op het stadhuis terugkeerde en van onze activiteiten vernam. Hij maakte J. van der Spank het verwijt dat we zo geknoeid hadden in het bevolkingsregister! Verdijk had kennelijk niet het besef dat we met dat “geknoei” in vier jaar heel veel mensen hebben kunnen redden. Een ordentelijk bevolkingsregister was bij zijn terugkeer meer waard dan ons illegale werk. Van der Spank kreeg van hem onmiddellijk opdracht er weer orde in aan te brengen. Dat werd een enorme klus omdat het ruim duizend vervalsingen betrof. Dan belde Van der Spank me vaak op met de vraag: hoe hebben we die en die ook alweer onder een valse naam geregistreerd, of: hoe heette die familie in werkelijkheid waar we dat joodse kind hebben bijgeschreven? Van der Spank heeft er maanden aan gewerkt om de boel weer in orde te brengen.' Aldus Hilda Verwey-Jonker wat ze vertelt aan Frans Dekkers voor zijn boek B&W.

Veel verzetsdaden rondom Eindhovense bevolkingsregister zijn voor de "daders" voor elkaar geheim bleven. De in april 1941 aangestelde N.S.B. secretaris Paro zegt na de oorlog: 'Het ontvreemden van persoonsbewijzen was vrijwel onmogelijk, zeker in groten getale. Dat kon men maar één keer doen, want het was allemaal geregistreerd. Er is mij ook geen geval van bekend, want dan had ik het geweten." 

Maar oud-gemeenteambtenaar W. Maas gelukte dit naar zijn zeggen wel: ‘De textielfabrikant Ignatius de Haes zat in het verzet en had dringend blanco persoonsbewijzen nodig voor de illegaliteit. Omdat hij wist dat ik op de afdeling Bevolking werkte en betrouwbaar was, hoopte hij dat ik ze hem kon bezorgen, en dat is me gelukt. Op een dag haalde ik twintig persoonsbewijzen uit de brandkast en smokkelde deze na werktijd onder mijn jas het stadhuis uit. De vermissing zal ongetwijfeld opgemerkt zijn, want ze waren geregistreerd. Maar ik heb er niets meer van vernomen. Misschien dat ze het stil wilden houden.'

Ook de gemeentebode Sjef de Vries sluit zich, eind 1942 aan bij de verzetsgroep Hoppenbrouwers / van der Sanden. Sjef de Vries vertelt hierover in het B&W boek: “De groep zocht een betrouwbaar contact op het stadhuis. Omdat ik als gemeentebode overal kon komen, heeft de ambtenaar De Haas, van de afdeling Personeelszaken, mij bij deze verzetsgroep aanbevolen en geïntroduceerd.” Sjef helpt hen aan een aantal blanco persoonsbewijzen en de bijbehorende "transparant" zegels om joden en onderduikers, na het vervalsen ervan, een andere identiteit te geven. De Vries vertelt: “Die stal ik verscheidene malen in de middagpauze als er niemand op de afdeling Bevolking was, uit een stalen ladekast die onafgesloten bleef, en verstopte die PB’s onder een traploper op het stadhuis. Na werktijd smokkelde ik die naar buiten en bezorgde ze bij adjudant F. van den Broek huisadres aan de Harmoniestraat 17 in Eindhoven”.

Rie Jansen schrijft: "Illegale bonnen geschreven in overleg met Hoofd Chefs ter Gemeente Secretarie, de heer J. van Schaick en de heer Schraeder, afd. Inkoop, om zodoende haar aan strozakken, dekens, en overalls enz. voor de vele Engelse piloten, welke zij onderdak verschafte, te helpen.

Onderduik advertentie 1942
Hilda Verwey-Jonker plaats in 1942 een advertentie voor Hulp in de huishouding. Deze stond in: Algemeen Handelsblad 28-02-1942 

Met deze advertentie redde ze het leven van Bep Denneboom 

Bep Denneboom groeide op in een Joods gezin in Zwolle. Toen de familie op transport moest, smeekten de twee oudste dochters hun ouders om onder te duiken. Op dat moment was Bep Denneboom zeventien jaar. Na lang wikken en wegen besloten de ouders dat niet te doen en hun jongste kind mee te nemen. Zij meenden dat de zevenjarige het nooit zou begrijpen dat ze haar in de steek zouden laten. Bep en haar zus Els doken onder en kwamen via omwegen in Eindhoven terecht. Bep, uitgerust met door Hilda verstrekte valse identiteitspapieren, werkte als inwonende meid voor een gezin dat geen moment vermoedde dat ze joods was. Echter Bep kwam in huis bij iemand die haar niet goed behandelde. Om haar hier weg te krijgen, plaatste Hilda Verwey-Jonker een advertentie voor een hulp in de huishouding. Bep ‘solliciteerde’ en kwam vervolgens niet als onderduikster, maar als ‘bovenduikster’ in het gezin Verwey te werken. Onder de schuilnaam Miep Griep zorgde Bep Denneboom tot na de bevrijding voor het huishouden van de Verweys en overleefde zij de oorlog. Ook haar zus Els wist de oorlog te overleven. Bep Denneboom heeft er, samen met voormalig Dommelhuisjongen Robert Engel, voor gezorgd dat Hilda Verwey-Jonker op 18 maart 1987 de Yad Vashem onderscheiding kreeg. 

Bron verhaal: https://www.verwey-jonker.nl/artikel/het-onbekende-verzetswerk-van-hilda-verwey-jonker/


Persoonsbewijs Hilda Verwey-Jonker. Bron Drift en koers p. 153
(Particuliere collectie Maarten Verwey)

In de oorlog heb ik natuurlijk ook wel wat gedaan, maar ik heb altijd het gevoel, dat we daar veel te laat mee begonnen zijn en dat we veel te weinig hebben kunnen doen. (...) Ik zat al hoog en breed in andere vormen van illegaal werk toen het tot ons doordrong, dat we ons uitgebreid met het onderduiken van joden moesten bezig houden. We hebben dus wel een paar mensen helpen redden, maar er zijn er ook nog een paar niet gered doordat we de zaak niet ernstig genoeg inzagen.

Toen Hilda voor het eerst kwam om joden met bonnen en geld te helpen, wilde het verzet haar zelfs verbieden zich te bemoeien met joden. Daarin kwam pas langzamerhand verandering, vooral toen geruchten over vernietigingskampen begonnen door te sijpelen. Voor Hilda kwam het omslagpunt toen een collega van Evert haar kwam waarschuwen dat een joods meisje dat als dienstbode was ondergebracht op een bepaald adres daar beter weg kon worden gehaald. De man [Rien van Bruggen] bij wie zij was ondergebracht zat in de ‘pilotenhulp’ en dat gold tot op dat moment als het gevaarlijkste wat er was.  [Lijst met 70 Eindhovense pilotenhelpers]

De waarschuwer zei: ‘“Laat die kerels verdomme in krijgsgevangenschap gaan, hun leven is niet in gevaar!” En toen realiseerden we ons opeens dat de Jodenhulp vóór moest gaan. Maar toen was het voor een groot deel al te laat.’  In haar autobiografie schreef ze dat ze in de oorlog ‘bijzonder te kort’ was geschoten en dat ze zich schaamde over de ontoereikendheid en het amateurisme van haar inzet.

Deze amateurisme gedachte geldt voor meer mensen, het verzetswerk was totaal nieuw, de laatste Franse bezetting was tot 1813. Het organiseren en netwerken opzetten kost tijd en het eerste jaar van de Duitse bezetting is door veel Nederlands als vervelend, maar niet levensbedreigend, ervaren. Dit veranderde in het voorjaar van 1942 toen voor de meeste Nederlanders het ware gezicht van de nazi's duidelijk werd.  Voor veel Joden, socialisten communisten, homo's en vakbondsmensen was dit gevaar al duidelijk vanaf 1933.

Het zoeken naar onderduikadressen was uiterst risicovol en vergde mensenkennis. Het is niet bij benadering te zeggen hoeveel mensen Verwey-Jonker aan schuilplaatsen heeft geholpen. mensen die haar uit deze periode kennen, kunnen geen inschatting maken. 

Onderstaande mensen hebben van Hilda (hoogst waarschijnlijk) steun ontvangen.
Deze verhalen (en meer) staan op deze site:

Familie Kropf - Beckmann (SDAP kennis)
Bas Veth en Dina Veth-Slotboom helpen Joodse onderduikers (SDAP)
Familie Bakker over hun hulp aan Joodse onderduikers in Eindhoven (direct contact)

Philips Natlab contacten
https://www.eindhovenfotos.nl/5/Bienfait.html
https://www.eindhovenfotos.nl/5/hoekstra.html
https://www.eindhovenfotos.nl/3/verzet_philips1940_1944.html (5 delen)


In een onderzoek van Phocas Kroon uit 2010 blijkt dat van de 936 Joodse inwoners, die in 1941 in Eindhoven woonden, 583 de oorlog hebben overleefd, waaronder 83 personen die diverse kampen hebben overleefd. In de oorlogsperiode zijn 21 Joodse personen een natuurlijke dood gestorven. Hierdoor komt het nazi-slachtoffer aantal op 332 personen. Dit is tragisch, zo'n 40% van de Eindhovense Joodse bevolking. 
Het aantal Eindhovense Joden dat de oorlog echter heeft overleefd is, in verhouding tot het percentage slachtoffers in geheel Nederland hoog. Zo'n 75% van het totaal aantal Nederlandse joden is slachtoffer geworden. 

In Eindhoven hebben veel Joden tijdig ingezien en de mogelijkheid gehad dat onderduiken hun enige reddingsmogelijkheid was. Veel van hen is er in geslaagd voldoende en veilige onderduikadressen te vinden, ook de rol van Philips heeft hier in bijgedragen.


Ze zorgde voor een onderduikadres voor Wilma Grunfeld-van Dam in sanatorium in de omgeving van Mook. Later moet dit echtpaar verder onderduiken en hebben ze een valse naam nodig. Het werd Verwey, de naam van Hilda Verwey-Jonker, die zij kende omdat ze haar kinderen Franse les had gegeven en van het ondergrondse werk van Hilda. Bron: pagina 43, onderzoek en verhalen in Phocas Kroon.

Ze hielp tijdens de oorlog vele voormalige Dommelhuisjongens onder te duiken en zorgde voor persoonsbewijzen, geld en voedsel voor hen. Ze ging ook naar Westerbork om de Dommelhuisjongens op te zoeken en onderhield contacten tussen onder anderen de gebroeders Schwarz en hun ouders. Aantal Dommelhuis jongeren vinden via de Westerweelgroep/en J.Daams in Eindhoven nog een vluchtweg.

Proefschrift Drift en koers beschrijft het verhaal dat ging over een gezin met een onderduiker die de dochter des huizes zwanger had gemaakt. Een hevige ruzie was het gevolg. De vader van het meisje vond dat de onderduiker met zijn dochter moest trouwen. Verwey- Jonker werd erbij gehaald om een oplossing te vinden voor de problemen in dit voor haar onbekende gezin. De spanningen liepen zo hoog op dat de beide mannen met elkaar op de vuist gingen. Verwey- Jonker wist ze echter tot bedaren te brengen. Ze overtuigde de vader van het meisje dat de jongeman op deze manier nooit een goede echtgenoot voor zijn dochter kon worden. In een gedwongen huwelijk zou zij immers niet gelukkig kunnen worden. Vervolgens werd afgesproken dat Verwey-Jonker zou proberen de onderduiker zo snel mogelijk elders onder te brengen. Op de weg terug naar huis kwam Verwey-Jonker de dokter tegen. De dokter vertelde haar over de twee dames. Dit waren twee vrouwen die ondergedoken zaten op een boerderij buiten de stad. Ze moesten hard werken en kregen bijna niets te eten. De dokter vroeg Verwey-Jonker of zij niet een ander onderduikadres wist voor de twee tantetjes. Welnu, dat had Verwey-Jonker wel... Nog diezelfde avond verwisselden de jongeman en de tantetjes van onderduikadres. Hoe het met de jongeman is afgelopen is niet bekend. Maar zoals in een sprookje was het hier ook eind goed, al goed. De twee tantetjes namen de verzorging van de baby op zich en bleven nog lange tijd bij het gezin wonen zodat de jonge moeder haar school kon afmaken. Maar het liep niet altijd goed af. Verwey-Jonker herinnerde zich nog tot op hoge leeftijd de beoordelingsfout die ze had gemaakt door twee kinderen op een onderduikadres te laten zitten in plaats van hen onmiddellijk weg te laten halen. Bron Drift en koers p.159 -160


Naast de onderduikers voor wie ze schuiladressen zocht, nam ze zelf ook af en toe mensen in huis op. Toen in de zomer van 1942 de definitieve jodenvervolging werd ingezet, besloten de Verweys samen met goede vrienden [en Philips collega], de familie Hoekstra, ieder een klein joods kindje in huis te nemen. Joseph Khan werkt als ambtenaar bij het bureau arbeidsrecht en  het gezin woont Pastoriestraat 87 [in 2017 afgebroken]. Verwey's en Hoekstra's beloofden de ouders Kahn zo lang mogelijk voor hun kinderen te zorgen. Sonja Kahn kwam bij de Hoekstra’s terecht, de Verwey's namen de zorg voor haar vierjarige broertje Nico Kahn op zich. Nico moest later in Friesland onderduiken, werd opgepakt maar kwam ongedeerd terug uit Theresienstadt – mede dankzij een financiële bijdrage van Philips van 35.000 gulden. Echter hun vader en moeder Khan en hun oudste broer en oudste zus zijn in Auschwitz en Sobibor vermoord.


Over het verzetswerk haar echtgenoot Evert minder bekend. De combinatie van hun werkzaamheden, hun huwelijk en hun overtuiging zorgden ervoor dat mensen die iets nodig hadden of iets wilden regelen met elkaar in contact kwamen. Verder
 was het NatLab, waar Evert werkte, een grote verzetshaard in Eindhoven. Daar zaten de mensen die papieren konden vervalsen,  chemische trucjes hadden om persoonsbewijzen te ontdoen van de J stempel of zelfs brandbommen konden maken.
Lees de vele voorbeelden bij de vijf verhalen over Philips verzet en bij index/nieuw 

Evert werkte mee aan de oprichting van de Philips Rekenkamer in Kamp Vught. Om te proberen joodse werknemers te behoeden voor transport.  Zo komt er een Schrijfkamer, een Tekenkamer en een Rekenkamer. Deze afdelingen zijn vooral bedoeld om mensen die meer gewend zijn om met hun hoofd dan met hun handen te werken, een veilige plek te bieden. Daaronder zijn wetenschappers, ambtenaren en kunstenaars. Zij krijgen vooral opdrachten van Philips in Eindhoven. Waar veel reken- en tekenwerk werd verricht, zoals door bombardement verbrande schema's te repareren, die echter voor de oorlogvoering niet van belang waren, en dat door het daarvoor noodzakelijke mondelinge contact de geïnterneerden in aanraking bracht met de bevriende buitenwereld.

De ‘Heren Zeventien’ in Londen bij koningin Wilhelmina.

Het staatshoofd wenste te spreken met een afvaardiging uit het zuiden en wilde geïnformeerd worden over sociale problemen in bevrijd gebied. 


Deze foto van het bezoek van een delegatie uit het bevrijde Zuiden van Nederland aan H. M. Koningin Wilhelmina met naast haar Hilda Verwey-Jonker, werd op zondagmorgen 4 februari 1945 in Stubbings House  (Maidenhead) ver van Londen gemaakt.

Zittend:  Geestelijke K.W.H.A. (Karel) Roncken (hoofdaalmoezenier van de arbeid in het diocees Roermond), dr. L. J. M. Beel (KVP minister-president, van 3 juli 1946 tot 7 augustus 1948), de heer L.P. van Oorschot (toenmalig SDAP wethouder en loco-burgemeester van Vlissingen), Koningin Wilhelmina, mevrouw H. Verwey-Jonker (SDAP, socioloog ), ingenieur F. Wijffels van de Staatsmijnen (en na-oorlogs minister van sociale zaken), professor F. J. Th. Rutten (hoogleraar psychologie in Nijmegen en 1948 minister van Onderwijs.), mr. G. W. M. Huysmans ( Boerenleenbank-directeur in Eindhoven en februari 1945 benoemd tot Minister van Financiën in het Londens Kabinet, overleden 1948 ).
Staand: de heer Lhoëst (papier-fabrikant in Meerssen), de heer M. Ch. A. J. H. Hustinx (toenmalig burgemeester van Nijmegen en 1945-1946: lid Eerste Kamer), F.J. Hoogers  ( Wethouder Tilburg, voorzitter van het in het zuiden heropgerichte Rooms-Katholiek Werkliedenverbond), jonkheer mr. A. F. C. Casembroot (toenmalig burgemeester van Westkapelle, later commissaris van de koningin in Zeeland), de heer F. P. O. M. Koch (voorzitter van de Kamer van Koophandel en fabrieken in Zeeland), de heer A. de Roo (Verzetsman waarnemend-burgemeester van Goes), de heer C.J.M Mol (KVP, arts uit Etten-Leur, actief arts-en-verzet.), mr. E. Sassen (toenmalig advocaat in den Bosch, later werkzaam bij de Europese Gemeenschap), ir. F. J. Philips (Philips), dr. Ir. N. A. J. Voorhoeve (Philips, Nationaal Steun Fonds (NSF)  en namens de gereformeerde kerken uit het Zuiden).'
foto: https://beeldbankwo2.nl 

Het proefschrift "Drift en koers" beschrijft de reis naar Londen: "Begin 1945 naar Engeland reizen was geen sinecure. De leden van de delegatie gingen eerst naar Brussel, waar ze door een arts werden gekeurd. Overste Van Houten, verantwoordelijk voor de reis, over de verdere voorbereidingen: ‘Op een gegeven moment besliste ik dat het hele gezelschap dan maar gemilitariseerd moest worden. Ze kregen allemaal militaire rangen en uniformen. Beel bijvoorbeeld werd sergeant en anderen werden korporaal-ziekenverpleger of gewoon soldaat, maar spoedig kwam de Engelse militair die ik de taak had gegeven, voor de uitrusting zorg te dragen en het gezelschap de simpelste militaire gebruiken bij te brengen (ze moesten leren salueren en zo), bij me en zei dat het zo niet kon, ze zagen er te potsierlijk uit, “it is too awful,” werd me gezegd. Ik ben er toen toch in geslaagd hen als burgers te laten vertrekken. 

De delegatie reisde met een overvol en bewapend troepenschip en werd begeleid door enkele torpedoboten. Na ruim een uur varen veroorzaakte een door de Duitsers afgevuurde V2 veel commotie, maar geen ongelukken. Iedereen probeerde gekleed en wel wat te slapen op de vaste banken. ’s Nachts ging het schip voor anker in de monding van de Theems; vanwege de vele mijnen was het te gevaarlijk in het donker verder te gaan. De volgende ochtend werd de reis per schip vervolgd en daarna per trein en auto naar het verblijf van de koningin in Maidenhead. Daar ontmoette de delegatie ‘een vriendelijke oude dame’, onmiskenbaar de koningin. De meeste delegatieleden verbleven in een hotel, voor Verwey-Jonker was een uitzondering gemaakt. Zij mocht logeren in [een van] de slaapkamers van de koningin."  Drift en koers, pagina 183-184.

Over de foto;" Toen het gehele gezelschap vervolgens met de koningin werd gefotografeerd, liet zij van Oorschot en Hilda Verwey naast zich zittende enige twee socialisten uit de groep. De koningin had vooral van Oorschots openhartigheid op prijs gesteld, ‘voor hem’, aldus Hilda Verwey, ‘had ze een duidelijke voorkeur. "

Nadat het merendeel van de delegatie terug was naar Nederland, bleef Verwey-Jonker in Engeland. Ze hield radiotoespraken op verzoek van Lou de Jong voor Radio Oranje, bezocht een kamp voor ondervoede kinderen en sprak met de koningin en met de demissionaire premier Gerbrandy over het probleem van de ‘opgedoken joden’.  Volgens Hilda Verwey-Jonker zou de koningin in die gesprekken tot de conclusie zijn gekomen dat ‘“Auschwitz” de realiteit was en dat de verhalen over de ‘erge dingen’ die met Nederlandse joden waren gebeurd, klopten en dat de meesten van hen al waren vermoord. Bron: Drift en koers, pagina 185.

Tribunaal voor Bijzondere Rechtspleging

Mevrouw Verwey-Jonker is na de oorlog gevraagd om als burger mede de berechting van collaborateurs te beoordelen.
Dit hoofdstuk tribunalen is gebaseerd op het boek B&W van Frans Dekkers, pagina 207 - 211 met kleine aanvullingen.


Het Eindhovense tribunaal vangt medio 1946 aan met de berechting van collaborateurs. Om de honderden strafzaken te kunnen behandelen, worden er, vanwege een gebrek aan juristen, leken aangetrokken.

Mevrouw Verwey-Jonker: 'Dat waren mensen die men er capabel voor achtte. Onder meer rector C. A. Elich, Eindhovens Dagblad-hoofdredacteur A. Jurriaan Zoetmulder, gemeenteambtenaar Delen, de schrijver Antoon Coolen en de notarissen mr. H. Ph. M.J. Janssen en P.J. Steensma. Ik werd ook gevraagd.

Bij onze taak kregen we de hulp van de advocaten, want wij wisten ook niet alles: vooral van mr. G.J.P. Cammelbeeck die de meeste collaborateurs heeft verdedigd. De advocaten zagen het vaak beter, zeker als het om nuances ging, dan een officier van justitie die de zaken naar voren bracht. Als we in beraad gingen was de afweging altijd: hoe ernstig is de aanklacht, hoe lang zit hij of zij al, en hoe zijn de huiselijke omstandigheden.

We verschilden natuurlijk wel eens van mening. Ik was meestal de enige die bezwaar maakte om iemand nog langer vast te houden. De mensen die wij veroordeelden, waren in feite allemaal zielepieten die op het verkeerde paard hadden gewed, en die nauwelijks een vlieg kwaad hadden gedaan.

De straffen die hen werden opgelegd vond ik nogal eens onevenredig aan de aanklacht. Er werd ook wel eens met twee maten gemeten. Niet iedereen die fout was kwam er zo slecht van af. Ik herinner me bijvoorbeeld de zaak tegen de oud-hoofdcommissaris W. Dijs. Hij is gestraft, maar met behoud van pensioenrechten. Waarom hij wel en al die anderen die minder op hun kerfstok hadden niet?

Neem de NSB-ambtenaren. Naast de hun opgelegde straf kwam er nog een andere bij, waarmee ik het toen al niet eens was: het ontnemen van hun pensioenrechten. Daar hebben ze voor betaald en dat staat voor mij los van hun keuze voor het nationaal-socialisme. Deze mensen kregen er bij wijze van spreken als bijkomstige straf “levenslang” bij. Ze worden nu veelal door de bijstand onderhouden. Het was al met al geen gemakkelijke taak voor ons.'

Als de publieke tribune vol was dan verdrong de Eindhovense bevolking zich voor een raam op de tweede verdieping van C&A. Vandaar, dat was tegenover het oude stadhuis, keek men uit op het vertrek waar de tribunalen plaats vonden.

Een van de eerste ‘prominente' NSB-ers die zich voor het tribunaal moet verantwoorden, is mevrouw Pulles [ de vrouw van de N.S.B. Burgermeester]: haar zaak komt op 18 september 1946 voor.

Met gevoel voor dramatiek schrijft het Dagblad voor Midden- en Oost-Brabant: ‘Even belast en beladen als de publieke tribune was de tenlastelegging van Catharina Henricus Maria Swinkels, echtgenote van de voormalige NSB-burgemeester. En even fel als de vlagen stormwind die tegen de ruiten sloegen, was af en toe het duel tussen het tribunaal en haar verdediger mr. J. Van der Putt.' [Wederom mr. Jo van der Putt van het Dommelhuis en de Nederlandse Unie en beide woonden, tijdens de oorlog in de Merellaan, hoewel v/d Putt wel iets sjieker woning had.]

De tenlasteleggingen variëren, naast een lijst van nationaal-socialistische lidmaatschappen, van het ‘uitsteken van de NSB-vlag? tot het ‘uiten dat Duitsland de oorlog zou winnen. Het wordt in de eerste jaren nog, punt voor punt, en uitvoerig behandeld. In retrospectief klinkt menige aanklacht, zoals die van mevrouw Pulles, minder belast en beladen als destijds. De vraagstelling doet veelal eerder naïef dan relevant aan, met voorspelbare antwoorden. Zo vraagt mevrouw Verwey-Jonker: 'Heeft U er op gerekend dat Duitsland de oorlog zou winnen?' Mevrouw Pulles: 'Eerst wel, maar later niet meer.'

Mevrouw Verwey-Jonker over die tijd: 'We wisten toen ook nog zo weinig. Daarom stelde elk tribunaal-lid wel eens vragen die in deze tijd, nu er zoveel over de bezetting bekend is, naïef aandoen.'

De advocaat van mevrouw Pulles, mr. Van der Putt, maakt de reeks aanklachten tot speerpunt van zijn verdediging, met een gewaagde parallel in het slotpleidooi.

Van der Putt: 'Een regime dat bijvoorbeeld katholieken voor de rechtbank zou dagen omdat zij katholiek zijn en dat zulk een gedaagde boven zijn lidmaatschap van de kerk de lidmaatschappen van de H. Kindsheid, de Congregatie van de H. Familie en broederschap van den Rozenkrans ten laste zou leggen, mitsgaders het maken van een kruisteken voor het eten zou een verwrongen en onmatig opgeschroefd beeld van den werkelijken toestand geven.'

Mr. Steensma protesteert verontwaardigd tegen de stelling en licht toe dat al deze punten in de dagvaarding zijn opgenomen om haar collaboratie te accentueren. Van der Putt blijft bij zijn stelling en het zal nog menigmaal tot verbaal wapengekletter leiden.

Mevrouw Pulles: 'Wat mij vooral is bijgebleven is het “selectieve geheugen” van Eindhovenaren die gevraagd was ten gunste van mij, en later ook in andere zaken, te getuigen. Er bleken nogal wat mensen te zijn die zich plotsklaps niet meer wisten te herinneren dat ze tijdens de oorlog een beroep op ons hadden gedaan of door ons geholpen waren. Dan leer je ze pas goed kennen en dat maakte ons verbitterd.

Desondanks zijn we fair gebleven. We hadden heel wat namen kunnen noemen, ook van mensen die naar buiten toe de rol van “goed vaderlander" hadden uitgedragen, maar anderzijds de NSB en de Duitsers vriendelijk of behulpzaam tegemoet waren getreden. Daar waren heel wat bekende Eindhovenaren bij. Veel van hen, met name fabrikanten, hebben onder meer aan Winterhulp Nederland grote sommen geld geschonken. Vaak kwamen ze dat persoonlijk bij ons aan de Merellaan 2 overhandigen. Het tribunaal vroeg me de namen van deze donateurs te noemen. Men had vermoedens, en niet geheel ten onrechte. Van degenen die ze verdachten, kende ik er heel wat. Maar men kon dat niet bewijzen, en dat heb ik zo gelaten: ik heb gelogen dat ik zwart zag als ze een bevestiging van hun vermoeden wilden hebben.

Mr. Van der Putt beëindigt zijn slotpleidooi met de woorden: ‘Zij verblijft reeds twee jaren in een vreselijke omgeving. Zij is beroofd van al haar glorie. Haar gezin is uiteen gerukt, twee zoons zijn vermist en waarschijnlijk gesneuveld. Het is vandaag 18 september, waarop Eindhoven haar tweejarige bevrijding viert. Aan de vreugde van het bevrijdingsfeest zal niet tekort worden gedaan indien haar een barmhartigheid werd bewezen.'

Mevrouw Verwey-Jonker: 'De zaak tegen mevrouw Pulles herinner ik me nog heel goed. Ik had medelijden met haar omdat haar twee zoons aan het front gesneuveld waren. Ik was er dan ook voor om haar direct in vrijheid te stellen omdat ze al genoeg geleden had.'

De gevraagde invrijheidstelling van ‘Frau Oberbürgemeister', zoals het ED haar schertsend noemt, wordt niet gehonoreerd. Het tribunaal vonnist: ‘internering tot 1 januari 1947, met ontzetting uit de kiesrechten en ontzetting uit de bevoegdheid om bestuurlijke functies te bekleden bij maatschappelijke of sociale verenigingen.'

Na de 2e wereld oorlog

In heel haar werkzame leven heeft Hilda zich ingezet voor een sociale rechtvaardigheid en organiseren van voorwaarden om maatschappelijke positie te verbeteren.
Evert steunde haar daarin en hijzelf bereikte de wetenschappelijk top.

UNIE VAN VROUWELIJKE VRIJWILLIGERS" OPGERICHT. Een beroep op vrouwen en meisjes tot medewerking.

Eindhovensch dagblad 14-12-1944 meld:
Te Eindhoven is opgericht de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers. Deze organisatie beschouwt zich als de voortzetting van de Vrouwelijke Vrijwillige Hulp (V.V.H), die in 1940 tijdens de oorlogsdagen ten behoeve van vluchtelingen en geïsoleerden gewerkt heeft, doch tijdens de bezetting werd ontbonden. Het oude bestuur van de V.V.H, heeft zich direct na de bevrijding opnieuw ter beschikking gesteld van de autoriteiten en is toen ingeschakeld in het hulpwerk voor getroffenen onder den naam Bureau voor daklozen, getroffenen en vluchtelingen van het Nederlandse Rode Kruis. Nu de werkzaamheden, die door dit bureau worden verricht, enigszins overzichtelijk beginnen te worden en nu tevens de waarschijnlijkheid groot wordt, dat andere verwante taken van de Vrouwelijke vrijwilligers zullen worden gevraagd, lijkt het gewenst, dat een meer permanente organisatie-vorm wordt gevonden. Het bestuur stelt zich voor, naast de afdeling Vluchtelingenhulp, die op de normale wijze zal doorwerken in overleg met autoriteiten en andere hulporganen, nieuwe afdelingen op te richten, telkens wanneer daaraan behoefte bestaat. Met de besturen van Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers (U.V.V.'s) die reeds in andere plaatsen werken, zal zo spoedig mogelijk overleg gepleegd worden. Het bestuur van de U.V.V. Eindhoven bestaat uit de volgende personen: 
Voorzitster: Mej. H. Roelants, Rodenbachlaan 4a; penningmeesteresse: Mevr. L. Haenen- Hilgers, Stratumseind 49; Mevr. V. Dubois-Raupp; Mevr. H. Verwey-Jonker; Mevr. L. de Haes-van Moorsel; Mej. Dr. M. van Vlijmen; Mevr. C. Mann-Koevoets; Mevr. T. v.d. Weerdt-Linck; Mevr. H. A. van Riemsdijk- Philips; Mevr. L. Woldringh-Potjer en Mevr. C. Spoorenberg-Bak. 

Het Bureau Vluchtelingenhulp heeft in de afgelopen maanden gebruik gemaakt van de bereidwillige medewerking van vele tientallen vrouwelijke en mannelijke vrijwilligers, die de hun toevertrouwde taak met grote toewijding hebben verricht. Vele van deze medewerkers hebben echter in den laatsten tijd hun normale werkzaamheden Weer moeten hervatten, zodat er op het ogenblik behoefte bestaat aan vooral vrouwelijke hulp. Het bestuur doet thans een beroep op alle vrouwen en meisjes, die zich beschikbaar willen stellen, zich binnen de kortst mogelijke tijd schriftelijk aan te willen melden op één der onderstaande adressen, met opgave van: naam, adres, leeftijd, werkkring, beschikbare tijd, opleiding en speciale belangstelling. 

Mevr. Sooorenberg-Bak, Paradijsl. 89. 
Mevr. Six-de Vos, Parklaan 38.


Evert Verwey was zoals we weten in 1934 in dienst getreden van het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven, waar hij meer werk verrichtte op het gebied van de colloïden. Daarnaast hield hij zich ook bezig met de eigenschappen van oxidische materialen. De Verwey-overgang in magnetiet is bijvoorbeeld naar hem vernoemd. In 1946 werd Verwey naast H.B.G. Casimir en Henne Rinia benoemd tot directeur van het NatLab.

In 1967 vonden zijn wetenschappelijke verdiensten, die in 1949 door het lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) al erkenning gevonden hadden, hun bekroning in een eredoctoraat van de TH te Delft.

Het leven van Hilda voor en na de oorlog is prachtig beschreven in:  Drift en koers: de levens van Hilda Verwey-Jonker. 

Bronnen en boeken

Het Verwey-Jonker Instituut is een Nederlands Instituut voor onderzoek, advies en innovatie op maatschappelijk terrein. Het instituut is genoemd naar de sociologe Hilda Verwey-Jonker als een blijk van waardering voor haar werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse samenleving.

Hilda Verwey-Jonker, Er moet een vrouw in. Herinneringen aan een kentering in de tijd (Amsterdam 1988) omslagfoto [Verwey-Jonker omstreeks 1965].
Amsterdam : Arbeiderspers, 1988. Paperback. 272 p., [20] p. of plates : ill. ; 22 cm. ISBN 9789029551519

Margit van der Steen:  “Hilda Verwey-Jonker had al een autobiografie gepubliceerd, Er moet een vrouw in. Maar eerlijk gezegd, vond ik dat boek een tikje saai. Ze deed alsof het allemaal niet zo veel voorstelde wat ze gedaan had. Dat geloofde ik niet – en dat daagde mij uit om de archieven in te duiken. Ik had goed gezien dat er een ander verhaal over haar leven was te vertellen. Uit mijn onderzoek bleek dat ze zelfs in beeld is geweest als de eerste vrouwelijke minister, ruim tien jaar voordat Marga Klompé die functie in 1956 zou gaan vervullen!

Drift en koers: de levens van Hilda Verwey-Jonker (1908-2004) door Margit van der Steen
2011, 596 p, ISBN 9789035133792
Als Proefschrift te downloaden in PDF [klik op full text]

Een vlot geschreven biografie. Zeer divers bronnenmateriaal weten te achterhalen en op bewonderenswaardige wijze verwerkt tot een gestroomlijnde geschiedschrijving. 

B&W: Rond de Tweede Wereldoorlog in Groot-Eindhoven
Het 'kloppend hart' van een lokale samenleving is het stadhuis, het werkterrein van burgemeester, wethouders en ambtenaren. Hoe past dit bestuurlijk apparaat zich aan als omstandigheden dramatisch wijzigen, zoals voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog? Kiest het voor verzet of voor collaboratie?
FRANS DEKKERS stelt die vraag in B&W rond de Tweede Wereld-oorlog in Groot-Eindhoven en hij laat de laatste ooggetuigen van die periode hun eigen geschiedenis schrijven, die begint in de jaren twintig en de bestuurders ten tonele voert die tijdens de bezettingsjaren voor (marginaal) verzet of (soms al daarvoor) voor collaboratie zouden kiezen, en zich na de oorlog(stribunalen) zouden mengen in de machtsstrijd om de baantjes op het stadhuis. Dekkers 'componeert' hun onthullende verhalen en ervaringen tot een authentieke bekentenis van méér dan lokale betekenis, enerzijds omdat een bestuurder als dr. Beel het tot de landelijke politieke top brengt, anderzijds omdat het verhaal van Eindhoven nu eenmaal onlosmakelijk verbonden is met het verhaal van het wereldconcern Philips.

ISBN 90-6265-363-4 pagina's 252, [32] p. foto's, 20 cm, uitgave 1992