Nationaal Steunfonds

burgemeester van Hall

en het verhaal over: Bankier van het verzet 

Ex-burgemeester van Hall

Zwendelaar voor een goede zaak

Een miljoenenvervalsing op touw zetten en er nog plezier in hebben ook, is bepaald iets ongewoons voor een man die als onkreukbaar bekend staat. Maar wie tijdens de bezettingsjaren de Duitsers op grote schaal bedonderde wás meestal onkreukbaar. De man die aan het woord is, haalde als illegaal werker miljoenen bij de Nederlandse Bank weg om het toenmalige Nationale Steunfonds aan gelden te helpen. Hij heette in die tijd Klaassen, alias Van Rossum. Later zou hij de meest geplaagde burgemeester van Amsterdam worden: Mr. G. van Hall. 

Lees meer over bankier van het verzet en de rol van Philips en Philips mensen in het gehele verhaal 


Bankier van het verzet

De invloed van Philips medewerkers was groot bij het financieren van het verzet.
In het midden een van foto Iman Jacob van den Bosch,
Door Lou de Jong omschreven is als "een van de grote figuren van de Nederlandse illegaliteit", zie online pagina 409 De Jong Koninkrijk deel 10b eerste-helft
zie https://www.eindhovenfotos.nl/3/verzet_philips1940_1944.html

Walraven van Hall

Walraven van Hall nam het westen van Nederland onder zijn hoede. Hij werkte onder verschillende schuilnamen: Van Tuyl, Barends, oom Piet en zijn bekendste: de Olieman.
Broer: Mr. G. van Hall schuilnaam: Van Rossum, Jan Klaassen

dr. ir. N.A.J. Voorhoeve

Medewerker van ir. A.J. Gelderblom

A. Voorwinde (Arie)

Iman Jacob van den Bosch

Iman Jacob van den Bosch

Iman Jacob van den Bosch kreeg het noorden en oosten toebedeeld. Zijn schuilnaam was Pa van den Berg.
Geboren in Groningen 30 mei 1891 -overleden 27 oct 1944 in Westerbork

ir. A.J. Gelderblom

Als derde leidinggevende nam ir. A.J. Gelderblom het zuiden van Nederland voor zijn rekening.
De schuilnaam was Van Dijk.


Nieuwe Revu 4-5-1973, Nieuwe Revu dossier tekst Pál Balázs
Verhaal heeft meer bekendheid gekregen als "Bankier van het verzet"

Meneer Van Hall, zoudt u, om het geheugen van de lezers even op te frissen, eerst willen vertellen wat voor instelling het Nationaal Steunfonds was?

Onze organisatie, het Nationale Steunfonds, opgericht door mijn broer Walraven [ eigenlijk door Walraven van Hall & Iman van den Bosch], was in feite een financieringsinstelling. Het begon met steun aan de vrouwen van zeelieden, die niet meer door de scheepvaartmaatschappijen betaald mochten worden. Maar langzamerhand werd de hele illegaliteit door ons betaald. De illegale kranten moesten papier hebben. Daar werkten mensen, die ook moesten leven. Dan waren er talloze onderduikers die geld moesten hebben. Allerlei illegale organisaties, gewapende en ongewapende, werden door ons gesteund. Uiteindelijk financierden wij ook de spoorwegstaking. Al deze illegale organisaties voorzagen wij van de nodige geldmiddelen, omdat de situatie in andere bezette landen ons ongewenst voorkwam. In die andere landen probeerde de illegaliteit aan geld te komen door onder meer postkantoren en banken te beroven, maar de mensen die daar werkten konden er natuurlijk nooit zeker van zijn, of bij een overval de naam van de illegaliteit niet werd misbruikt. Vandaar, dat in Nederland alles heel straf werd geregeld. Illegale organisaties die voor bepaalde doeleinden geld nodig hadden, konden zich tot het Nationale Steunfonds wenden.

U heeft ten behoeve van het Nationale Steunfonds op nogal merkwaardige wijze met schatkistpromessen gemanipuleerd. Hoe zat dat eigenlijk precies?

Tja, wij hadden hoe langer hoe meer geld nodig. Denk u maar eens in. In het begin van de oorlog, toen wij alleen nog maar de ondersteuning van de zeemansvrouwen financierden, hadden wij al een lijst van namen waarop wij maandelijks f18.000, moesten betalen. Mijn broer en ik dachten: hoe krijgen wij elke maand opnieuw f 18.000,- bij elkaar? Een heleboel mensen durfden immers niet bij te dragen. En er was steeds meer geld nodig. Het bedrag steeg tot f 100.000,-. Daarna tot een miljoen en 4,5 miljoen per maand. Wij zijn ten slotte gekomen tot 14 miljoen gulden per maand! Om aan de vraag te voldoen bedienden wij ons van verschillende methoden. Maar het werd hoe langer hoe moeilijker. Opeens herinnerde ik mij een verhaal, dat ik jaren geleden eens in New York had gehoord. Ik werkte daar in de jaren 1928 tot 1931. In die dagen deed zich het grote financiële schandaal voor met de firma Kreuger en Tol, de lucifersmagnaten, waarvan u waarschijnlijk wel gehoord hebt. Zij hadden overal lucifersmonopolies opgekocht. Toen er deviezen-moeilijkheden kwamen, konden ze niet meer aan geld komen. Op een dag sloot Ivar Kreuger in Italië een lening af en gaf er schatkistpromessen voor in onderpand. Toen ze een jaar later vervielen en de bank ze aanbood, bleken ze vervalst te zijn. Ivar Kreuger heeft destijds in Parijs zelfmoord gepleegd. Met dit verhaal in mijn achterhoofd dacht ik: dat zou ik eigenlijk ook wel kunnen doen. Ik moest er alleen voor oppassen niet dezelfde blunder te maken als Kreuger, namelijk dat ik er niet de hand op zou kunnen leggen als die dingen vervielen. Samen met de chef van de beleggingsafdeling van de Rijksverzekeringsbank en met de chef van de kluis van de Nederlandse Bank, een man die fel anti-Duits was, heb ik toen een plan uitgewerkt, hoewel de Nederlandse Bank natuurlijk vol NSB-ers en Duitsers zat. Aangezien de directeur van de Rijksverzekeringsbank achteraf zijn medewerking niet wilde geven is het de Rijkspostspaarbank geworden. Het systeem kwam hier op neer, dat wanneer de Rijkspostspaarbank schatkistpromessen bestelde, ik de nummers en de datum daarvan kreeg medegedeeld. Een illegale drukkerij drukte de dingen na en ik bracht de valse biljetten bij de Nederlandse Bank, waar ze werden verruild voor echte. De echte werden daarna omgezet in contanten. Het voordeel van deze methode was, dat ik precies wist welke valse biljetten er bij de Nederlandse Bank lagen. Die dingen lopen nooit langer dan een jaar en als ze vervielen, kon ik ze door nieuwe valse vervangen. Het heeft een paar maanden geduurd, eer het hele systeem uitgewerkt was. Ook de Nederlandse regering in Londen werd er in gekend. Maar toen hadden wij geen moeilijkheden meer. Dankzij de vervalsingsprocedure hebben wij altijd zoveel geld kunnen krijgen als wij nodig hadden. Dit deel van de problemen was daarmee opgelost. Later heb ik me er nog wel eens over geamuseerd, dat ik vijfmaal zoveel schatkistpromessen heb vervalst als Ivar Kreuger destijds. Maar een paar dagen na de bevrijding ging ik naar Den Haag en daar kreeg ik nieuwe, echte schatkistpromessen. Die heb ik weer keurig in de kluizen van de Nederlandse Bank gelegd. De valse gingen er toen uit, zodat niemand schade leed.


Een van de valse schatkistpromesse. Het Nationaal Steunfonds (NSF), hield zich bezig met de financiering van het verzets- en onderduikerswerk.
foto: https://beeldbankwo2.nl

Hoe ging het inwisselen van de valse schatkistpromessen eigenlijk in zijn werk?

De valse schatkistpromessen waren ternauwernood van de echte te onderscheiden. De mensen van de kluisafdeling van de Nederlandse Bank waren niet van de verwisselingen op de hoogte. Ze vonden het alleen maar lastig dat er steeds weer 'gedonderjaag met de schatkistpromessen was'.

De schatkistpromessen werden geleverd door het agentschap van het Ministerie van Financiën in Amsterdam. De enige rol die de Rijkspostspaarbank speelde was, dat zij bij het agentschap schatkistpromessen bestelde. Bij het agentschap was iemand die mij de nummers en de datum van de te leveren schatkistpromessen doorgaf. Ik kreeg de stukken dan en ging er mee naar de hoofdkassier van de Nederlandse Bank. Die was tevens hoofd van de kluis en telefoneerde dan naar beneden: "Er is weer gedonderjaag met de schatkistpromessen van de Rijkspostspaarbank. Wil je ze even boven brengen? Er is iets mee.” Tja, niemand in de kluisafdeling dacht aan onregelmatigheden. Ze vonden het alleen vervelend, dat er telkens iets met de schatkistpromessen scheen te haperen. Een van de mensen bracht ze boven, bij de heer Ritter [mr. C. W. Ritter], de hoofdkassier, waar ik dan ook zat. De brenger verdween weer en de heer Ritter gaf mij de echte papieren. De valse (die heel goed nagemaakt waren, alleen de kleur klopte niet helemaal) kwamen bovenop de stapel voor de kluis en die werd dan beneden weer opgeborgen. Niemand kwam op de gedachte om naar iets ongewoons te speuren. Het was op zichzelf doodeenvoudig. De heer Ritter stond als hoofdkassier bij de Nederlandse Bank natuurlijk voortdurend onder druk. Hij moest allerlei orders van Duitsers en NSB-ers uitvoeren. Maar hij hield dat vol omdat hij daardoor ons weer op alle mogelijke manieren kon helpen. Daarbij kwam, dat hij twee zoons had, van wie hij wel moest aannemen dat zij in de strijd tegen de Duitsers waren omgekomen. De een was net bij de Nederlandse luchtmacht in dienst gekomen toen de oorlog uitbrak. Met de overgebleven toestellen en al het personeel was hij naar Engeland gegaan. De heer Ritter begreep, dat zijn zoon daar vlieger was geworden en omdat er bij de luchtmacht velen sneuvelden, was hij er van overtuigd, dat ook zijn zoon niet meer tot de levenden behoorde. Zijn tweede zoon zat in het illegale werk, was verraden, opgepakt en naar een 'Nacht-und-Nebel'-kamp in Duitsland gestuurd. Wie dit lot trof, was gewoonlijk binnen een paar maanden dood. Daarom verwachtte de heer Ritter niet, ooit nog één van zijn beide zoons terug te zullen zien. Hij was er zeker van, dat die twee hun leven voor het vaderland hadden geofferd en vond dat hij ook zelf moest doen wat hij kon. Wij konden voortdurend op hem rekenen. Het fijne is, dat na de oorlog allebei zijn zoons zijn teruggekomen. Zij hebben de oorlog overleefd. Ik heb mij wel eens voorgesteld, hoe het bij dat wederzien is toegegaan en hoorde ze in gedachten zeggen: "Vader, hoe kon je daar bij de Nederlandse bank blijven zitten? Het was toch gewoon een apparaat in handen van NSB-ers en Duitsers!" Waarop hij dan kon antwoorden: "Dankzij het feit dat ik daar bleef zitten was het mogelijk, illegaliteit en spoorwegstaking van geld te voorzien. Het was een goed ding, dat ik gebleven ben."

vestibule Hoofdbank
De Nederlandsche Bank N.V.

Aquarel tekening gesigneerd "P.H. Kiers"

Afscheidsalbum, aangeboden 30 september 1950 voor mr. C. W. Ritter.
Op het moment van zijn afscheid had Ritter 27 jaar bij DNB gewerkt, als adjunct secretaris en als kassier-generaal.

Tot welk bedrag is het totaal van de tot de bevrijding uitgekeerde ondersteuningsgelden opgelopen?

Het totale bedrag dat het Nationale Steunfonds uitkeerde is een kleine 120 miljoen gulden geweest. Op het ogenblik lijkt dat niet eens zo heel veel, maar destijds, in de oorlogsjaren, betekende 120 miljoen heel wat meer dan nu. Velen kregen van ons f 130,- per maand en waren daar erg gelukkig mee. Daar zou je nu eens om moeten komen.

Hoe werden de schatkistpromessen in contanten omgezet?

De weg die ze volgden was erg ingewikkeld. Het kwam er op neer, dat de schatkistpromessen – natuurlijk met heel veel camouflage – door de banken gekocht en in contanten uitbetaald werden. Banken hebben altijd overtollige kasmiddelen die ze in schatkistpapier beleggen. In het geval waar wij over spreken kochten ze de schatkistpromessen van ons. Het enige verschil was, dat ze er geen rekening voor crediteerden, maar in contanten betaalden. De heer Ritter was daarbij weer nodig om te zorgen, dat de contanten de Nederlandse Bank konden verlaten. Ingevolge een Duits decreet moest altijd een reden worden opgegeven voor het opnemen van geld, onverschillig of dit bij je eigen bank gebeurde of bij de Nederlandse Bank. Wij konden natuurlijk moeilijk zeggen, dat de contanten bij de Nederlandse Bank werden weggehaald om de illegaliteit te betalen. Maar de heer Ritter was er van op de hoogte, dat er eenmaal per week een cheque voor contante middelen werd gepresenteerd. Aan die cheque gaf hij zijn fiat en zo was hij ook hier weer de bemiddelaar die zorgde, dat de contanten in roulatie kwamen.

Waren er bij de banken waar deze transactie plaatsvonden ook mensen die wisten wat er in werkelijkheid gebeurde, of wisten ze helemaal van niets?

Alleen sommige directieleden wisten ervan. Het was verder een volkomen normale transactie. Ik moest die dingen kwijt en iemand vinden die geacht kon worden zoveel schatkistpromessen in zijn bezit te hebben waarvoor hij contant geld nodig had. Ergens in een jaarverslag had ik gelezen, dat de Hoofdgroep Industrie een fonds had voor stilgelegde bedrijven. Het was het jaarverslag van de Kwatta Chocoladefabriek, de enige fabriek die nog werkte en die een groot deel van de winst afdroeg aan het fonds voor stilgelegde bedrijven. Door dit fonds konden de stilgelegde fabrieken dan hun personeel betalen. Ik ben naar de heer Den Hollander gegaan, de latere president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen. Hij was toen voorzitter van de Hoofdgroep Industrie. Ik vroeg hem: "Mijnheer Den Hollander, zit er in dat fonds voor stilgelegde bedrijven veel geld?” Hij antwoordde: "Geen cent. Alles is uitgekeerd.” Ik weer: "Is dat algemeen bekend?” En hij: ”Neen, hoe zou dat bekend moeten zijn?” Daarna ik: "Dus er zou best een heleboel geld in kunnen zitten?” En hij weer: "Ik weet wel beter. Dat geld zou dan onmiddellijk uitgekeerd moeten worden." Ik heb hem toen uitgelegd, hoe de zaak in elkaar zat: dat ik in de loop van de tijd voor tientallen miljoenen aan schatkistpapier kreeg, waarvoor ik contant geld moest hebben. ”Zou u met mij naar de grote banken willen gaan? Of eigenlijk omgekeerd: zou ù willen gaan en ik met u méé kunnen gaan? U legt dan uit, dat er een fonds voor stilgelegde bedrijven is en dat daar in de loop der jaren tientallen miljoenen in gestort zijn. Nu worden er hoe langer hoe meer bedrijven gesloten die hun personeel moeten betalen. Het fonds voor stilgelegde bedrijven moet gaan uitkeren en vraagt nu aan de banken, de promessen te willen overnemen.” Wij brachten bezoeken aan alle grote banken op één na. Aangezien ik er bij zat, begrepen de heren heel goed, dat er iets anders aan de hand was. Maar daar werd niet over gesproken. Formeel was het zó, dat de Hoofdgroep Industrie respectievelijk het fonds voor stilgelegde bedrijven, de contributie in schatkistpromessen had belegd en dat die schatkistpromessen nu verkocht moesten worden om de uitkeringen aan stilgelegde bedrijven te kunnen doen plaatsvinden. Een prachtige camouflage. Ik heb de heer Den Hollander natuurlijk precies verteld, hoe de zaak in elkaar zat en dat dit geld nodig was voor de illegaliteit. Hij was een goede Nederlander en deed graag mee. Ik had overigens al eerder vóór de schatkist-affaire een andere methode bedacht. Ik ben toen naar de directeur van een grote bank gegaan, een goede vriend van mij, en zei tegen hem: "Ik heb in je jaarverslag gelezen, dat je kassier een bepaalde hoeveelheid geld heeft. Hij behoeft helemaal niet méér te hebben, want als er veel vraag naar kasmiddelen komt, stuur je een loper naar de Nederlandse Bank om er geld te halen.” En ik voegde er de vraag aan toe: "Heb je wel eens bedacht wat er zou gebeuren, als er bommen vielen op Amsterdam en één daarvan op de Nederlandse Bank terecht kwam, zodat ze daar niet meer bij hun bankbiljettenkluis kunnen komen?” Nou, dat had hij. "Lijkt het je niet verstandig,” vroeg ik hem, "om een kasvoorraad aan te leggen? Die hoef je niet aan je kassier te geven. Je legt het geld in een safeloket onder directiesleutel. Vált er een bom op de Nederlandse Bank, dan heb jij tenminste kasreserve." "Nooit aan gedacht! Een uitstekend idee!" vond hij. Daarop ik weer: ”Luister, ten eerste heb ik er helemaal geen belang bij, of je je klanten wel of niet kunt betalen. Ten tweede valt er natuurlijk nooit een bom op de Nederlandse Bank. Waarschijnlijk vind je 't daarom een beetje gek, dat ik je dit voorstel doe.” Waar wij nu zitten, in het Carlton Hotel, honderd meter van het Rokin en de Nederlandse Bank af, zijn wel bommen gevallen. In dit gebouw was destijds het Luftgaukommando Holland gevestigd. ”Toch zou ik wel graag zien,” zei ik toen, "dat je die kasreserve vormde. Maar ik wil, dat je het geld alleen in theorie in de safe legt en in de praktijk aan mij geeft." Nou, dat was me wat! ”Dat moet ik eerst met mijn collega's bespreken," zei hij. Natuurlijk maakte ik hem duidelijk, hoe dringend ik dit geld nodig had. "Hoeveel wil je hebben?” vroeg hij. Ik antwoordde: "Een half miljoen per maand.” Enige tijd later kreeg ik bericht, dat ze mee wilden doen. Ik kwam eens in de maand en ontving dan een reusachtig pak. Er zaten vijfduizend bankbiljetten van honderd gulden in. De administratie van de bank wist niet beter of dat halve miljoen lag in de safe waarvan alleen de directie de sleutel had Toen ik de medewerking van één bank had, ben ik met hetzelfde voorstel ook naar de andere banken gegaan. Niet allemaal gingen zij er precies zo op in, maar alle, op een na, deden mee, sommige op een andere manier. Om één, die wèl hetzelfde systeem volgde, heb ik hartelijk gelachen. Ik kwam er eens per maand en daar lag dan het reusachtige pak met de vijfduizend biljetten, een touw met lakzegels er omheen. De directeur verbrak de zegels en ik stopte de inhoud van het pak in mijn koffertje. Daarna ging hij naar een kast, haalde er lege sigarenkistjes vandaan – hij was een kettingroker van sigaren – en deed om die kistjes het papier, met het touw en nieuwe lakzegels. "Van Hall, ik doe het nog beter dan die collega waar je mij van vertelde,” zei hij. "Van elk van mijn bijkantoren leg ik een pak met een half miljoen gulden in een safeloket.

Er is maar één moeilijkheid. Als ik met dat grote pak het bijkantoor binnenkom, zegt de directeur daar meteen: 'Laat mij dat zware pak voor u dragen! Daar kan ik dan nooit op ingaan, want het zware pak weegt helemaal niets.” Het systeem functioneerde een jaar. In die tijd ontving ik van ieder van deze banken zes miljoen gulden. Maar natuurlijk kon het zo niet eeuwig doorgaan. Daarom heb ik toen dat project met de schatkistpromessen uitgewerkt.


standplaats: Groningen, Trompstraat 15ª
beroep: Procuratiehouder van Philips Eindhoven
onderscheiding: Verzetskruis (1946-05-07)
contactpersonen: Boltjes, Jo; Legger, Fré; Schelling; Roukema, Reinoud; Laan, E. van der; Gernaat; Staal, Willy; Vasbinder, W.; Wilde, Tini de
naam: Bosch, Iman Jacob van den
schuilnamen: Pa v.d. Berg; van den Box
verzetsgroep: NSF
bijzonderheden: Gefusilleerd te Westerbork. Herbegraven op het Groningse Esserveld, 1945-11-02
geboren: 1891-05-30 te Groningen [er stond foutief Eindhoven]
Bosch, Iman Jacob van den
gebeurtenis: Door de SD met hulp van Kaper gearresteerd bij van Loon aan de Parkweg 111, 1944-10-18. Gevangen gezeten in Westerbork
overleden: 1944-10-28
verzetsactiviteiten: Algemeen hoofd NSF. Lid commissie van advies voor de KP. Meegewerkt aan het samengaan van KP, OD, RVV
bs-rapport: AM-H 2 en 3; BS 6; BS 431; BS 508; BS 638; BS 665; BS 719; BS 818
Bron RHC Groninger Archieven


Het is een wonderlijke zaak. Maar het wonderlijkste is misschien nog wel, dat al die mensen met wie u in contact kwam goed waren en dat er geen sprake was van verraad.

Och, voor verraad was ik niet zo bang. Ik kende die mensen allemaal. Maar het was natuurlijk niet helemaal onmogelijk, dat zij hun mond voorbij zouden praten. In een enkel geval is dat ook wel gebeurd. Ook met andere systemen die wij toepasten heb ik het beleefd, dat men gewoon rond vertelde dat ik geld voor de illegaliteit inzamelde. Gelukkig is er nooit narigheid van gekomen. Dat ging helaas anders bij mijn broer. Die werd eind januari 1945 gepakt en is twee weken later doodgeschoten.

Hoe heette uw broer in de illegaliteit?

Hij noemde zich Van Tuyll. Zelf heette ik eerst Klaassen. Die keuze was helemaal toevallig. Ik kwam ergens binnen, merkte opeens dat ik een naam op moest geven. Omdat ik net over de Dam gekomen was en daar de poppenkast met Jan Klaassen had gezien, noemde ik mij zo. Later droeg ik de naam Van Rossum. De echte naam van mijn broer was Walraven van Hall. Hij werd de 'olieman' van het verzet genoemd, niet alleen omdat hij het Nationaal Steunfonds had opgericht maar vooral ook omdat hij zo vaak, wanneer verzetslieden het met elkaar oneens waren, en dat kwam nogal eens voor, de mensen weer bij elkaar wist te brengen.

U hebt in die dagen dingen gedaan die bepaald niet alledaags waren.

Voor een bankier waren ze inderdaad wel een beetje vreemd. Maar tegelijk waren het dingen die alleen een bankier had kunnen doen. Ik was directeur van een aantal trustmaatschappijen en uit hoofde van die functie had ik voor de oorlogsjaren contact met vrijwel alle Nederlandse banken van betekenis. Ik kende die mensen dus allemaal. Mijn broer was eveneens bankier, in Zaandam, lid van de Vereniging voor de Effectenhandel en dagelijks op de beurs. Mijn vader was een heel bekend man. Die was jarenlang bestuurslid en zelfs voorzitter van de Vereniging voor de Effectenhandel. Wie hèm kende, kende ons. Men wist, dat wij geen oplichters waren en geen ontoelaatbare trucs zouden uithalen. Dat was natuurlijk een groot goed.

Meer over de NSF: https://www.eindhovenfotos.nl/3/verzet_philips1940_1944.html


Walraven van Hall, broer van Mr. G. van Hall en oprichter van het Nationale Steunfonds, moest zijn illegale werk met zijn leven bekopen.